ECLI:NL:CRVB:2012:BX8619

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-836 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbAlgemene Ouderdomswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag AOW-pensioen wegens ontbreken verzekering en nieuwe feiten

Appellant heeft een AOW-pensioen aangevraagd met de stelling dat hij in de periode vanaf oktober 1977 bij verschillende werkgevers in Nederland heeft gewerkt. Dit verzoek werd op 4 mei 2000 afgewezen wegens het ontbreken van een verzekeringsperiode onder de AOW. Het bezwaar en daaropvolgende beroep werden ongegrond verklaard, waarbij de rechtbank en de Raad de afwijzing bevestigden.

Appellant diende later een nieuwe aanvraag in met de mededeling dat hij van december 1977 tot mei 1978 bij een werkgever in Nederland werkte, waarna hij ziek werd en terugkeerde naar Marokko. Deze aanvraag werd eveneens afgewezen omdat dit geen nieuwe feiten of omstandigheden betrof zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. De rechtbank oordeelde dat het nieuwe argument ook eerder aangevoerd had kunnen worden en dat er geen aanleiding was het oorspronkelijke besluit te herzien.

In hoger beroep stelde appellant dat hij geen aanvullende gegevens kon overleggen omdat hij zijn papieren kwijt was geraakt. De Raad concludeerde dat dit geen aanleiding gaf tot herziening van het besluit. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag om AOW-pensioen wordt afgewezen wegens ontbreken van verzekering en nieuwe feiten.

Uitspraak

11/836 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 december 2010, 09/5845 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak 28 september 2012.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2012. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij een periode vanaf oktober 1977 heeft gewerkt bij de bedrijven [bedrijfsnaam] in [vestigingsplaats]. Deze aanvraag is bij besluit van 4 mei 2000 afgewezen, omdat appellant niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW. Het bezwaar daartegen is bij besluit van 19 januari 2001 ongegrond verklaard. Het tegen dat besluit ingestelde beroep is eveneens ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 oktober 2003 heeft deze Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
1.2. In de periode hierna heeft appellant opnieuw een aanvraag om een AOW-pensioen ingediend. Appellant heeft daarbij aangegeven dat hij in Rotterdam heeft gewoond en in de periode van 1 december 1977 tot 6 mei 1978 heeft gewerkt bij [werkgever] te [vestigingsplaats]. Na deze periode is appellant ziek geworden en naar Marokko teruggekeerd.
1.3. Bij besluit van 13 maart 2009 is het besluit van 4 mei 2000 gehandhaafd op de grond dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bezwaar tegen dit besluit is bij het bestreden besluit van 26 november 2009 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat in de stelling dat appellant van 1 december 1977 tot 6 mei 1978 heeft gewerkt bij [werkgever] te [vestigingsplaats], geen nieuw feit of veranderde omstandigheid is gelegen in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. Het gaat om een nieuw argument, dat appellant ook in een eerder stadium had kunnen aanvoeren. Dit betekent dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waarin de Svb aanleiding had moeten zien om het oorspronkelijke besluit van 4 mei 2000 te herzien. De Svb was dan ook bevoegd de aanvraag van appellant af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met een verwijzing naar het besluit van 4 mei 2000.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij geen verdere gegevens meer heeft met betrekking tot de in Nederland gewerkte periodes, omdat hij alle papieren is kwijtgeraakt.
4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2. Hetgeen appellant heeft aangevoerd levert geen nieuwe feiten of omstandigheden op die voor de Svb aanleiding hadden moeten vormen om terug te komen van het rechtens vaststaande besluit van 4 mei 2000. Uit de overgelegde gegevens blijkt geenszins dat appellant gedurende het door hem gestelde tijdvak in Nederland heeft gewoond of gewerkt.
4.3. Hetgeen onder 4.2 is overwogen leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2012.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) M.R. Schuurman
TM
III. DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale) confirme la décision attaquée.
Par conséquent, décidée par T.L. de Vries, en présence de M.R. Schuurman en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 28 septembre 2012.