ECLI:NL:CRVB:2012:BX7077
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Weigering Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid schoonmaker
Appellant was werkzaam als schoonmaker en ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Na ziekmelding met stress- en slaapklachten werd hem een Ziektewetuitkering geweigerd omdat hij niet medisch gezien ongeschikt werd geacht voor zijn werk. Diverse medische onderzoeken, waaronder door een bedrijfsarts en bezwaarverzekeringsarts, concludeerden dat appellant niet zodanig beperkt was in zijn uithoudingsvermogen dat hij zijn werkzaamheden niet kon verrichten.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of het werk van appellant ook het bedienen van een industriële schoonmaakwagen omvatte, wat appellant stelde. Uit onderzoek van de bezwaararbeidsdeskundige en verklaringen van het inlenende bedrijf bleek dat schoonmakers, waaronder appellant, deze machines niet mochten bedienen en dat dit alleen door eigen personeel gebeurde. Appellant kon dit niet met schriftelijke verklaringen voldoende onderbouwen.
De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat appellant niet ongeschikt is voor zijn werk als schoonmaker. De Raad bevestigde het oordeel dat het bedienen van schoonmaakmachines niet tot het reguliere takenpakket behoorde en dat appellant medisch gezien niet zodanig beperkt is dat hij zijn werk niet kan verrichten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de weigering van de Ziektewetuitkering gehandhaafd.
Uitkomst: Hoger beroep tegen weigering Ziektewetuitkering wordt afgewezen; appellant is niet arbeidsongeschikt voor zijn werk als schoonmaker.