ECLI:NL:CRVB:2012:BX6123
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1942 in Nederlands-Indië, vroeg erkenning en uitkering als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO). De Pensioen en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat zij direct betrokken was bij oorlogsgeweld.
Appellante stelde in beroep dat historische gegevens en verklaringen van haar en haar zus voldoende bewijs boden van directe betrokkenheid, met name tijdens het verblijf in de kazerne van Magelang in de Bersiap-periode. De Raad oordeelde echter dat er geen aanwijzingen waren van directe betrokkenheid bij beschietingen of van slachtoffers in haar directe omgeving. Ook werd het verblijf in de kazerne gesitueerd in of na 1948, waardoor internering niet aannemelijk was.
Hoewel appellante de situatie als beangstigend ervoer en soms moest schuilen, is dit onvoldoende om te spreken van directe betrokkenheid zoals vereist voor WUBO-erkentenis. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij direct betrokken was bij oorlogsgeweld zoals vereist voor WUBO-erkentenis.