ECLI:NL:CRVB:2012:BX5326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor WAO-functies bevestigd
Appellante meldde zich ziek wegens psychische klachten en ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV besloot haar uitkering per 29 januari 2010 te beëindigen op grond dat zij niet ongeschikt werd geacht voor de functies die in 2005 bij de WAO-beoordeling aan haar waren voorgehouden. Appellante maakte bezwaar en voerde in hoger beroep aan dat haar psychische beperkingen waren onderschat, onderbouwd met een brief van haar huisarts en een rapport van PsyQ.
De Raad overwoog dat de vraag in een beroep tegen beëindiging van een ZW-uitkering is of betrokkene als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte per de datum in geding verhinderd is de in aanmerking komende arbeid te verrichten. Het onderzoek door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts was zorgvuldig en concludeerde dat appellante ondanks beperkingen in staat was om de eerder voorgehouden WAO-functies te vervullen.
De aanvullende stukken van appellante konden de eerdere conclusies niet weerleggen. Er was geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het UWV-besluit en evenmin om een deskundige te raadplegen. De Centrale Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering omdat appellante niet ongeschikt is voor de WAO-functies.