ECLI:NL:CRVB:2012:BX4968

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 augustus 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-6307 WAO-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens te late betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellant heeft verzet ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn hoger beroep wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht. De Raad heeft vastgesteld dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn van vier weken, eindigend op 30 december 2011, is voldaan. Hoewel appellant in het verzet aangeeft bereid te zijn het griffierecht te betalen, is dit pas op 7 maart 2012 bijgeschreven, dus te laat.

Tijdens de zitting van 2 augustus 2012 verscheen appellant niet, noch het Uwv. De Raad concludeert dat appellant geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die het verzuim kunnen rechtvaardigen. Daarom is het verzet ongegrond verklaard. Het te laat betaalde griffierecht zal aan appellant worden terugbetaald.

Er is geen aanleiding gezien om appellant te veroordelen in de proceskosten van het verzet. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 20 augustus 2012.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard omdat het griffierecht niet tijdig is betaald en geen gegronde redenen voor het verzuim zijn aangevoerd.

Uitspraak

11/6307 WAO-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 september 2011, 11/1917 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 20 augustus 2012
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 3 februari 2012 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 3 februari 2012 heeft appellant verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 augustus 2012, waar partijen - het Uwv met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 3 februari 2012 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 2 december 2011 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In het verzetschrift heeft appellant aangegeven dat hij bereid is het griffierecht te betalen. Het griffierecht is vervolgens op 7 maart 2012 op de rekening van de Raad bijgeschreven. Daarmee staat vast dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn, die eindigde op 30 december 2011, is betaald.
De Raad stelt vast dat appellant in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die leiden tot het oordeel dat appellant niet in verzuim is geweest.
Dit betekent dat het verzet ongegrond dient te worden verklaard.
Het bedrag van het te laat betaalde griffierecht (€ 112,-) zal door de griffier van de Raad aan appellant worden terugbetaald.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2012.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) D.W.M. Kaldenhoven
NW
BESCHEID
Der Centrale Raad van Beroep,
Entscheidet:
Erklärt den Widerspruch unbegründet.
Dieses Urteil wurde gesprochen von T.G.M. Simons, in Anwesenheit von D.W.M. Kaldenhoven als Protokollführer. Die Entscheidung wurde in der Öffentlichtkeit am 20 August 2012 verkündet.