ECLI:NL:CRVB:2012:BX4801

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 augustus 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2246 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.G. Treffers
  • K.J. Kraan
  • A.A.M. Mollee
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 49b ARAR
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit roulatiesysteem zittingsvertegenwoordigers bij Raad voor de Kinderbescherming

Appellant, werkzaam als raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming, voerde naast zijn functie ook de taak van zittingsvertegenwoordiger uit, waarvoor hij een maandelijkse toelage ontving. De minister besloot per 1 januari 2010 deze taak niet langer structureel aan appellant toe te wijzen, maar te laten rouleren onder een groter aantal raadsonderzoekers volgens een tweejaarlijks roulatieschema. Tevens werd de maandelijkse toelage beëindigd.

Appellant stelde bezwaar en vervolgens hoger beroep in tegen deze wijziging, stellende dat sprake zou zijn van opheffing van zijn functie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat geen sprake was van een reorganisatie of opheffing van de functie, maar van een wijziging in de taakverdeling binnen het bestaande functiehuis.

De Raad benadrukte dat een bestuursorgaan vrij is zijn organisatie naar eigen inzicht in te richten en dat de minister de organisatiebelangen in redelijkheid zwaarder mocht wegen dan het persoonlijke belang van appellant. Bovendien kan appellant in de toekomst opnieuw in aanmerking komen voor de taak van zittingsvertegenwoordiger. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister bevestigd.

Uitspraak

11/2246 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 maart 2011, 10/1058 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)
Datum uitspraak 9 augustus 2012.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Weekers. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.H.M. van der Voort en mr. drs. A.S. van der Ven.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant is werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) als raadsonderzoeker in de regio Limburg (salarisschaal 9). In 2002 is hem opgedragen om, naast de functie van raadsonderzoeker, de taak van zittingsvertegenwoordiger te gaan uitvoeren. Deze taak is niet opgenomen in het functieprofiel van de functie van raadsonderzoeker. De minister heeft aangenomen, zoals blijkt uit zijn besluit van 11 december 2008, dat de taak van zittingsvertegenwoordiger op enig moment een structureel deel is gaan uitmaken van de functie van appellant. Tot 1 januari 2010 oefende naast appellant nog één andere raadsonderzoeker de taak van zittingsvertegenwoordiger uit. In het jaar 2009 bedroeg de omvang van de desbetreffende werkzaamheden voor appellant acht uur per week. Voor het verrichten van de taak van zittingsvertegenwoordiger ontving appellant een toelage. Deze toelage bedroeg met ingang van 1 april 2009 € 85,04 (bruto) per maand.
1.2. Bij besluit van 6 oktober 2009 heeft de minister aan appellant meegedeeld dat, zoals bij brief van 25 mei 2009 was aangekondigd, zijn functie met ingang van 1 januari 2010 structureel wordt gewijzigd in die zin dat de werkzaamheden als zittingsvertegenwoordiger niet langer aan appellant worden opgedragen. Daarbij is vermeld dat de taak van zittingsvertegenwoordiger gaat rouleren onder een groter aantal raadsonderzoekers dan voorheen op basis van een tweejaarlijks roulatieschema. Verder is beslist om de maandelijkse toelage met ingang van 1 januari 2010 te beëindigen. Het bezwaar tegen het besluit van 6 oktober 2009 is bij besluit van 9 juli 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.
3.1. In de eerste plaats volgt de Raad niet het standpunt van appellant dat het bestreden besluit een opheffing van zijn functie inhoudt en dat dit besluit overeenkomstig moet worden getoetst. Met ingang van 1 januari 2010 is de taak van zittingsvertegenwoordiger, zoals vermeld onder 1.2, gaan rouleren onder een groter aantal raadsonderzoekers dan voorheen op basis van een tweejaarlijks roulatieschema. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat deze wijziging geen wijziging meebrengt van de organisatiestructuur, de omvang of de taakinhoud van het desbetreffende dienstonderdeel, zodat geen sprake is van een reorganisatie in de zin van artikel 49b, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.
3.2. Vervolgens moet voorop worden gesteld dat een bestuursorgaan volgens vaste rechtspraak van de Raad vrij is om zijn organisatie naar eigen inzicht in te richten (CRvB 27 januari 2011, LJN BP3471).
3.3. De minister is overgegaan tot de invoering van een roulatiesysteem om zo te bewerkstelligen dat meer raadsonderzoekers dan voorheen in aanmerking kunnen komen voor het uitvoeren van de taak van zittingsvertegenwoordiger. Daarbij heeft de minister erop gewezen dat het uitvoeren van deze taak kan bijdragen aan een betere uitoefening van de functie van raadsonderzoeker en aan een bredere inzetbaarheid van de betrokken raadsonderzoekers. Verder heeft de minister erop gewezen dat met de invoering van het roulatiesysteem de in de loop der tijd gewijzigde functie van appellant weer in overeenstemming wordt gebracht met het binnen de RvdK geldende functiehuis.
3.4. Niet kan worden gezegd dat de minister bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid de onder 3.3 vermelde organisatiebelangen zwaarwegender heeft mogen achten dan het persoonlijke belang van appellant om de taak van zittingsvertegenwoordiger - structureel - te kunnen blijven uitoefenen. Daarbij is mede van betekenis dat appellant op een later moment weer opnieuw in aanmerking kan komen voor de uitoefening van de taak van zittingsvertegenwoordiger en dat hij door de minister ruim van tevoren op de hoogte is gesteld van de invoering van het roulatiesysteem. Evenals de rechtbank is de Raad tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
4. Uit hetgeen onder 3.1 tot en met 3.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2012.
(getekend) J.G. Treffers
(getekend) M.R. Schuurman
HD