ECLI:NL:CRVB:2012:BX4033
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand als alleenstaande en werd na de geboorte van zijn dochter geconfronteerd met een besluit van het college om zijn bijstand in te trekken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met de moeder van zijn kind. Het college baseerde dit besluit uitsluitend op een verklaring van appellant, waarin werd gesteld dat de moeder gemiddeld twee à drie dagen per week op zijn adres verbleef en hij eveneens enkele nachten op het adres van de moeder logeerde.
Appellant betwistte de juistheid en volledigheid van deze verklaring en stelde dat hij deze onder druk had afgelegd. De moeder bevestigde in een schriftelijke verklaring dat de verklaring van appellant niet de werkelijkheid weergaf. De rechtbank oordeelde echter dat sprake was van gezamenlijke huishouding en verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de enkele verklaring van appellant onvoldoende feitelijke grondslag biedt om te concluderen dat sprake is van gezamenlijke huishouding. Het college heeft geen aanvullend bewijs geleverd en heeft de tegenbewijslevering van appellant en de moeder onvoldoende meegewogen. Hierdoor berust het bestreden besluit op een ondeugdelijke grondslag en kan het niet in stand blijven. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Tevens wordt het college veroordeeld in de kosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd en het primaire besluit herroepen wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.