ECLI:NL:CRVB:2012:BX3595
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij weigering Ziektewetuitkering wegens ontbreken gezagsverhouding
Verzoeker heeft bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een uitkering ingevolge de Ziektewet aangevraagd, welke is geweigerd omdat geen sprake zou zijn van een dienstbetrekking met gezagsverhouding. Na handhaving van dit besluit door het Uwv en afwijzing van het beroep door de rechtbank, heeft verzoeker hoger beroep ingesteld.
Tegelijkertijd verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 Awb Pro, waarin hij voorschotten op de Ziektewetuitkering vorderde vanaf 16 mei 2011. Verzoeker stelde dat hij niet meer in zijn levensonderhoud kon voorzien, sinds november 2010 geen inkomsten had, en dat zijn aanvraag bij de gemeente Zaanstad was afgewezen. Hij leefde van leningen en giften, was ziek en niet in staat te werken. Ter onderbouwing overhandigde hij een brief van de Rabobank waarin financiering werd opgezegd.
De voorzieningenrechter oordeelde dat uit de brief van de Rabobank niet zonder meer een acute financiële noodsituatie blijkt en dat verzoeker geen verdere stukken had overgelegd ter onderbouwing van een spoedeisend belang. Er was onvoldoende inzicht in de financiële situatie die onmiddellijke voorziening rechtvaardigt. Ook was niet gebleken van een zwaarwegend belang dat de bodemprocedure niet kon worden afgewacht.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep op 1 augustus 2012.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor voorschotten Ziektewetuitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.