ECLI:NL:CRVB:2012:BX3595

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 augustus 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-3541 ZW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:86 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 18 Beroepswet
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij weigering Ziektewetuitkering wegens ontbreken gezagsverhouding

Verzoeker heeft bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een uitkering ingevolge de Ziektewet aangevraagd, welke is geweigerd omdat geen sprake zou zijn van een dienstbetrekking met gezagsverhouding. Na handhaving van dit besluit door het Uwv en afwijzing van het beroep door de rechtbank, heeft verzoeker hoger beroep ingesteld.

Tegelijkertijd verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 Awb Pro, waarin hij voorschotten op de Ziektewetuitkering vorderde vanaf 16 mei 2011. Verzoeker stelde dat hij niet meer in zijn levensonderhoud kon voorzien, sinds november 2010 geen inkomsten had, en dat zijn aanvraag bij de gemeente Zaanstad was afgewezen. Hij leefde van leningen en giften, was ziek en niet in staat te werken. Ter onderbouwing overhandigde hij een brief van de Rabobank waarin financiering werd opgezegd.

De voorzieningenrechter oordeelde dat uit de brief van de Rabobank niet zonder meer een acute financiële noodsituatie blijkt en dat verzoeker geen verdere stukken had overgelegd ter onderbouwing van een spoedeisend belang. Er was onvoldoende inzicht in de financiële situatie die onmiddellijke voorziening rechtvaardigt. Ook was niet gebleken van een zwaarwegend belang dat de bodemprocedure niet kon worden afgewacht.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep op 1 augustus 2012.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor voorschotten Ziektewetuitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

12/3541 ZW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 augustus 2012
PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. P.E. Stam, advocaat, een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2012. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Stam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen. Tevens is O. [A.] als getuige verschenen.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 31 mei 2011 heeft het Uwv geweigerd verzoeker een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Daaraan ligt ten grondslag de motivering dat verzoeker niet werkzaam is geweest in een dienstbetrekking omdat geen sprake is van een gezagsverhouding tot de werkgever. Verzoeker is dan ook geen verzekerde in de zin van de ZW.
1.2. Bij besluit van 14 oktober 2011 heeft het Uwv het besluit van 31 mei 2011 gehandhaafd.
2.1. Bij uitspraak van 9 mei 2012, nr. 11/6158, heeft de rechtbank Haarlem het tegen het besluit van 14 oktober 2011 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
2.2. Tegen deze uitspraak heeft mr. Stam namens verzoeker hoger beroep ingesteld.
3.1. Verzoeker heeft in zijn verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht het Uwv te veroordelen tot het verstrekken van voorschotten op de uitkering ingevolge de ZW met ingang van 16 mei 2011.
3.2. Verzoeker voert aan dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat hij als gevolg van het besluit van 31 mei 2011 niet meer in zijn levensonderhoud kan voorzien. Sinds 3 november 2010 heeft verzoeker geen inkomsten meer genoten en de aanvraag ingevolge de Wet werk en bijstand is door het college van B en W van de gemeente Zaanstad afgewezen. Verzoeker leeft momenteel van leningen en giften van zijn familie en vrienden. Hij is nog immer ziek en is dus niet in staat om inkomsten te verwerven met arbeid. Eén van de bedrijven van verzoeker is in staat van faillissement verklaard en inmiddels heeft verzoeker zijn huis noodgedwongen moeten verkopen. De situatie is onhoudbaar geworden. Ter onderbouwing legt verzoeker een brief van de Rabobank over van 30 juni 2011, waarin de Rabobank de aan verzoeker verstrekte financiering opzegt en verzoeker sommeert het bedrag van € 364.106,- binnen een periode van drie maanden aan de Rabobank te voldoen.
4.1. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.2. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Awb en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.3. Voorop gesteld wordt dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van de Raad van 2 december 2003 (LJN AO0764), de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.
4.4. De beantwoording van de vraag of sprake is van onverwijlde spoed spitst zich in het onderhavige geval in het bijzonder toe op de vraag of sprake is van een spoedeisend belang in financieel opzicht.
4.5. Verzoeker is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van spoedeisend belang bij het treffen van de door hem verzochte voorlopige voorziening. Daarbij wordt van belang geacht dat uit de enkele brief van de Rabobank van 30 juni 2011 niet zonder meer volgt dat thans sprake is van een financiële noodsituatie. Nu voor de overige stellingen dat sprake is van een financiële noodsituatie, ook geen nadere stukken zijn overgelegd, ontbreekt een inzichtelijke onderbouwing van het standpunt van verzoeker dat sprake is van een dusdanig spoedeisend belang, dat het treffen van een voorlopige voorziening zou zijn aangewezen.
5. Ook op andere wijze is niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet door hem zou kunnen worden afgewacht. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient dan ook te worden afgewezen.
6. Er bestaat geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake de vergoeding van de proceskosten.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2012.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) M.R. Schuurman
KR