ECLI:NL:CRVB:2012:BX2206
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening korting ouderdomspensioen wegens ingezetenschap en verblijf in Nederland
Appellant ontving een ouderdomspensioen met een korting van 12% wegens zes niet verzekerde jaren, omdat hij volgens de Sociale verzekeringsbank (Svb) in die periode geen ingezetene van Nederland was. Appellant diende een herzieningsverzoek in met aanvullende bewijsstukken, maar de Svb handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond wegens het ontbreken van nieuwe feiten.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat de Svb onvoldoende heeft onderbouwd dat appellant het ingezetenschap heeft verloren in de periode van 8 mei 2002 tot 1 januari 2006. Er is geen bewijs van verblijf buiten Nederland, zoals een woning of familie, en appellant heeft diverse feiten aangevoerd die op verblijf in Nederland wijzen, zoals een ziektekostenverzekering, ontvangst van officiële documenten en bankzaken.
De Raad stelt dat het begrip ingezetenschap een duurzame persoonlijke band met Nederland vereist, waarbij het middelpunt van iemands levensbelangen niet per se in Nederland hoeft te liggen. De Svb's beleidsregels binden de rechter niet. De rechtbank heeft ten onrechte het besluit in stand gelaten zonder een zorgvuldige belangenafweging.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt de Svb op een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt de Raad de Svb in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de Svb wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen over het ingezetenschap van appellant.