ECLI:NL:CRVB:2012:BX2153
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek bindingspremie wegens verschil in toekomstverwachting militairen
Appellant, werkzaam als sergeant binnen de subdienstgroep marinier algemeen, verzocht met terugwerkende kracht een bindingspremie toe te kennen per 1 januari 2009. Dit verzoek werd afgewezen omdat op de peildatum niet aannemelijk was dat appellant het Ministerie van Defensie zou verlaten, gezien zijn functietoewijzing en bevordering naar sergeant-majoor die al vaststond.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij, net als een collega (de B), die ook vóór de peildatum op de hoogte was van een overplaatsing en bevordering, recht had op een bindingspremie. De Raad onderzocht de situatie van beide militairen en concludeerde dat er een rechtens relevant verschil bestond: bij appellant was de functietoewijzing eind 2008 een hard gegeven, terwijl bij de B dit pas begin 2009 formeel was en diens functietoewijzing een reguliere was met een langere vrijvaldatum.
De Raad oordeelde dat de beslissingslijsten, onderdeel van een interne procedure, niet doorslaggevend zijn voor de kans op uitstroom. Van doorslaggevend belang was dat appellant op de peildatum weinig kans had om Defensie te verlaten, terwijl dat bij de B wel mogelijk was. Daarom was geen sprake van gelijke gevallen en werd het beroep van appellant ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om een bindingspremie wordt niet toegewezen.