ECLI:NL:CRVB:2012:BX1250
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Wuv wegens ontbreken vervolging tijdens Japanse bezetting
Appellant, geboren in juli 1944 in het toenmalig Nederlands-Indië, heeft in augustus 2010 een aanvraag ingediend voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Deze aanvraag werd door verweerder afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant vervolging had ondergaan tijdens de oorlogsjaren.
De Raad overweegt dat vervolging in de zin van de Wuv betrekking heeft op handelingen of maatregelen door of namens vijandelijke bezettende machten gericht tegen personen op grond van ras, geloof, wereldbeschouwing, homoseksualiteit of Europese afkomst, die hebben geleid tot vrijheidsberoving of onderduiken. De Raad vond geen bevestiging van de door appellant gestelde internering tijdens de Japanse bezetting.
Ook de gelijkstelling met vervolgden, bijvoorbeeld vanwege het omkomen van een ouder door vervolging, kon niet worden toegepast. De vader van appellant overleed namelijk pas in 1984, en er waren geen objectieve bevestigingsgegevens van vervolging. Daarnaast is tweede generatieproblematiek niet meer binnen de werking van de Wuv te brengen sinds 1994/2002.
Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het beroep ongegrond en wijst de aanvraag af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag afgewezen wegens ontbreken van bewijs van vervolging.