ECLI:NL:CRVB:2012:BX1247
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag vervolgde en burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken vervolging en calamiteit
Appellante, geboren in 1944 uit een gemengd huwelijk met een joodse vader, diende aanvragen in voor erkenning als vervolgde en burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wuv en Wubo. De Pensioen- en Uitkeringsraad wees deze aanvragen af omdat appellante geen vervolging heeft ondergaan en niet met vervolgden kan worden gelijkgesteld, noch calamiteiten heeft meegemaakt die onder de Wubo vallen.
De Raad stelde vast dat alleen gebeurtenissen tussen 30 juli 1944 en 5 mei 1945 relevant zijn. Vervolging vereist vrijheidsberoving of onderduiken vanwege ras of geloof, wat bij appellante niet is gebleken. Ook de gelijkstelling met vervolgden werd afgewezen omdat zij niet onder duidelijk ongunstige omstandigheden leefde ten opzichte van andere kinderen uit gemengde huwelijken.
Daarnaast erkende de Raad dat de negatieve effecten binnen het gezin als tweede generatieproblematiek niet onder de Wuv vallen. Voor de Wubo was er geen bewijs van lichamelijk of psychisch letsel door oorlogsgeweld of calamiteiten. De Raad verklaarde de beroepen ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De beroepen van appellante tegen de afwijzing van haar aanvragen op grond van de Wuv en Wubo worden ongegrond verklaard.