ECLI:NL:CRVB:2012:BX1243
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag erkenning burger-oorlogsslachtoffer op grond van Wubo wegens ontbreken directe confrontatie met extreem geweld
Appellant, geboren in 1938, verzocht bij verweerder om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), met een aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan zijn oorlogservaringen in Nederlands-Indië.
Verweerder wees de aanvraag af omdat appellant geen gebeurtenissen had meegemaakt die onder de werking van de Wubo vallen. Appellant ging hiertegen in beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Tijdens de zitting gaf appellant aan zich niet te kunnen verenigen met de afwijzing van de gebeurtenis waarbij een man aan een boom was opgehangen.
De Raad concludeerde dat deze gebeurtenis, hoewel ernstig en schokkend voor appellant als jong kind, niet voldoet aan de criteria van directe confrontatie met extreem en zeer ernstig fysiek geweld zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, van de Wubo. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd bepaald dat het moet gaan om geweld op een niveau vergelijkbaar met doodslag of executie. Omdat geen andere onder de Wubo vallende gebeurtenissen waren gebleken, werd het beroep ongegrond verklaard.
Daarnaast wees de Raad erop dat appellant ook een verzoek had ingediend op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), dat was afgewezen en waartegen geen beroep was ingesteld. De Raad adviseerde appellant een gemotiveerd verzoek tot herziening bij verweerder in te dienen.
De Raad veroordeelde appellant niet in de proceskosten en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard omdat geen sprake is van gebeurtenissen die onder de werking van de Wubo vallen.