ECLI:NL:CRVB:2012:BW8651
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoogte invordering en aflossingsregeling Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers
Appellante, geboren in 1919 in het voormalige Nederlands-Indië, is uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Na vaststelling dat zij pensioen geniet, is haar uitkering per besluit van 16 september 2009 verminderd. Vervolgens is bij besluit van 11 maart 2010 een terugvordering van het te veel betaalde bedrag over de periode 2004 tot maart 2010 vastgesteld, met een maandelijkse inhouding op de uitkering.
Appellante stelde beroep in tegen de hoogte van deze invordering. Na een financieel onderzoek, uitgevoerd door een medewerker van de Nederlandse Ambassade in Jakarta, is het aflossingsbedrag vastgesteld op een niveau waarmee appellante voldoende overhoudt om haar maandelijkse uitgaven te betalen en het totaal verschuldigde bedrag binnen 48 maanden kan worden afgelost. De Raad heeft geen aanleiding gezien om dit besluit te wijzigen.
Wel is erkend dat appellante geestelijk in slechte conditie verkeert en onder armlastige omstandigheden woont bij haar zoon en kleinkinderen. De Raad suggereert dat verweerder mogelijk het restant van de schuld kan kwijtschelden indien daarom wordt verzocht. Uiteindelijk verklaart de Centrale Raad van Beroep het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de hoogte van de invordering wordt ongegrond verklaard.