ECLI:NL:CRVB:2012:BW7258
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Schorsing nabestaandenuitkering wegens vermoedelijk vervallen recht niet onrechtmatig
Appellante ontving vanaf mei 1999 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) omdat zij een ongehuwd kind jonger dan 18 jaar in haar huishouden had. Toen het jongste kind in april 2009 18 jaar werd, schortte de Sociale verzekeringsbank (Svb) de uitkering per 1 mei 2009 op vanwege het vermoeden dat het recht op de uitkering was vervallen. De enige mogelijke grond voor voortzetting was arbeidsongeschiktheid, maar de Svb had toen nog geen informatie over de arbeidsongeschiktheid van appellante.
Appellante maakte bezwaar tegen de schorsing, dat bij besluit van 22 september 2009 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, omdat de Svb later de uitkering hervatte en betaalde vanaf mei 2009. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat appellante wel degelijk belang had bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de schorsing en vernietigt de uitspraak van de rechtbank.
De Raad stelt vast dat de Svb terecht uitging van het gegronde vermoeden dat het recht op uitkering was vervallen vanaf mei 2009, en dat er voldoende grondslag was voor de schorsing. Wel had de Svb zorgvuldiger kunnen handelen door eerder onderzoek te doen naar arbeidsongeschiktheid. De Raad verklaart het beroep ongegrond en bepaalt dat de Svb het betaalde griffierecht moet vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de schorsing van de nabestaandenuitkering wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep door de rechtbank wordt vernietigd.