ECLI:NL:CRVB:2012:BW7079
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens ontbreken objectief toegenomen beperkingen
Appellant, voormalig meewerkend bedrijfsleider, viel na een motorongeval uit en ontving een WAO-uitkering die in 2005 werd herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. In 2009 meldde appellant zich ziek met klachten aan pols, nek, schouder en rug. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts vast dat appellant belastbaar bleef conform de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2005 en verklaarde appellant hersteld voor passende functies, waarna het recht op ziekengeld werd beëindigd.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn beperkingen waren toegenomen, onderbouwd met een expertise van een orthopedisch chirurg en een medisch advies. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Een door de Raad ingeschakelde onafhankelijke deskundige concludeerde dat er geen objectieve toename van beperkingen was sinds 2005 en dat de belastbaarheid niet hoefde te worden aangepast.
De Raad volgde het deskundigenoordeel en verwierp het verweer van appellant dat een nieuwe FML moest worden opgemaakt. De conclusie was dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellant niet ongeschikt is voor passende functies en daarom geen recht meer heeft op ziekengeld. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om het recht op ziekengeld te beëindigen wordt bevestigd.