ECLI:NL:CRVB:2012:BW6621

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-623 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terugkomen op WAO-uitkeringsbesluit wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant, een voormalige uitzendkracht, verzocht het UWV om terug te komen op een besluit uit 2001 waarin zijn aanvraag voor een WAO-uitkering werd afgewezen omdat hij niet verzekerd was ten tijde van het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid in 1999. Dit verzoek werd in 2009 door het UWV afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit besluit in 2010.

Appellant stelde in hoger beroep dat zijn gezondheidssituatie verslechterd was en dat hij bewijs had overgelegd, waaronder een radiologisch rapport uit 2011. De Raad overwoog dat het verzoek om terug te komen op een onherroepelijk besluit alleen kan slagen indien nieuwe feiten of veranderde omstandigheden worden aangevoerd, zoals bepaald in artikel 4:6 van Pro de Awb. De ingediende medische verklaringen uit 2007 bevatten geen nieuwe feiten over de situatie in 1999 en het radiologisch rapport uit 2011 kon niet worden betrokken bij de beoordeling omdat het niet eerder was ingebracht.

De Raad concludeerde dat het UWV terecht het verzoek heeft afgewezen en dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt bevestigd en het hoger beroep wordt verworpen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om niet terug te komen op het eerdere afwijzingsbesluit wordt bevestigd.

Uitspraak

11/623 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2010, 10/1762 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 8 april 2011 heeft appellant op het verweerschrift gereageerd onder bijvoeging van een radiologisch rapport van dr. A. Sakout van 12 mei 2011.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2012. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is als uitzendkracht werkzaam geweest. Na te zijn uitgevallen wegens rugklachten, heeft appellant ziekengeld ontvangen van 12 februari 1990 tot aan de hersteld melding per 20 juni 1990. In 1990 is het dienstverband van appellant beëindigd. In 1991 dan wel 1998 is appellant teruggekeerd naar Marokko. Op 12 juni 2000 is namens appellant verzocht hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
1.2. Bij besluit van 25 januari 2001 heeft het Uwv geweigerd om appellant in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering, op de grond dat hij ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid op 6 december 1999 niet verzekerd was voor de WAO. Na daartoe gemaakt bezwaar heeft het Uwv dit besluit gehandhaafd bij besluit van 18 juli 2001. Bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2002, 01/3209, is appellants beroep tegen het besluit van 18 juli 2001 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3. Bij brief van 21 januari 2008 heeft appellant het Uwv verzocht om terug te komen van het besluit van 25 januari 2001. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft appellant het Uwv een verklaring van een reumatoloog en een radioloog, beide gedateerd 11 september 2007, doen toekomen.
1.4. Bij besluit van 9 december 2009 heeft het Uwv beslist dat niet wordt teruggekomen van het gestelde in het besluit van 25 januari 2001 omdat uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn.
1.5. Bij besluit van 18 maart 2010, het bestreden besluit, is het bezwaar tegen het besluit van
9 december 2009 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft dit standpunt in de aangevallen uitspraak onderschreven.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij sinds 1999 arbeidsongeschikt is, zijn gezondheidssituatie is verslechterd en hij geen werk kan verrichtten. Hij stelt voorts dat hij zijn stelling met bewijs heeft onderbouwd en het Uwv hem had moeten oproepen om zijn gezondheidssituatie te beoordelen. Ter onderbouwing van zijn beroep heeft hij een radiologisch rapport van dr. Sakout van 12 mei 2011 ingebracht.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Het verzoek van appellant van 21 januari 2008 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 25 januari 2001, waarbij afwijzend is beschikt op de aanvraag van appellant hem een WAO-uitkering toe te kennen, omdat hij ten tijde van de aanvang van de arbeidsongeschiktheid op 6 december 1999 niet verzekerd was ingevolge de WAO. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.
4.2. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad mag, overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
4.3. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank, hierop neerkomend dat hetgeen appellant ter onderbouwing van zijn verzoek van 21 januari 2008 heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd, geen nieuwe feiten of omstandigheden inhouden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. De door appellant bij zijn verzoek overgelegde verklaringen van de radioloog en de reumatoloog van 11 september 2007 bevatten geen nieuwe gezichtspunten omtrent appellants op 6 december 1999 ingetreden arbeidsongeschiktheid noch over diens verzekering voor de WAO op dat moment. Die verklaringen zijn derhalve terecht door het Uwv niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb aangemerkt.
4.4. Bij het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb was ook naar het oordeel van de Raad het Uwv bevoegd het verzoek van appellant af te wijzen en daarbij te volstaan met een verwijzing naar de eerdere afwijzende beslissing. Er bestaat geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het Uwv van die bevoegdheid niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
4.5. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 30 maart 2004, LJN: AO8674) kunnen als gevolg van de beperkte toetsing in het kader van een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, anders dan in een normale procedure, niet in de beoordeling in (hoger) beroep worden betrokken eerst in die fase ingebrachte stukken die niet bij het Uwv bekend waren ter onderbouwing van reeds eerder (in de fase voorafgaand aan het primaire besluit dan wel in de bezwaarfase) opgeworpen stellingen. Het radiologisch rapport van dr. Sakout van 12 mei 2011 is om die reden niet bij de beoordeling van het hoger beroep betrokken.
4.6. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2012.
(get.) E.E.V. Lenos.
(get.) J.R. Baas.
KR