ECLI:NL:CRVB:2012:BW5553

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1952 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 149 GemeentewetArt. 35 Wet werk en bijstandArt. 5 Gemeenschappelijke regeling Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest FryslânAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag tegemoetkoming op grond van Bijdrageregeling Meedoen met de Samenleving

Appellant heeft bij het bestuur een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming op grond van de Bijdrageregeling Meedoen met de Samenleving, bedoeld om deelname aan sociaal-culturele en sportieve activiteiten te bevorderen.

Het bestuur wees de aanvraag af omdat het inkomen van appellant meer bedraagt dan 115% van de toepasselijke bijstandsnorm. Appellant voerde aan dat het bestuur de aanvraag had moeten beoordelen als een aanvraag voor een gezin in plaats van voor een alleenstaande, aangezien hij samenwoonde met zijn broer.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat noch de Wet werk en bijstand noch de Algemene wet bestuursrecht het bestuur verplichten een ingediende aanvraag zelfstandig te wijzigen. De Raad kwalificeerde de Bijdrageregeling als buitenwettelijk begunstigend beleid, waartegen slechts wordt getoetst of het beleid consistent is toegepast.

Omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden van de regeling en het bestuur de aanvraag correct had behandeld, werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de tegemoetkoming wordt bevestigd.

Uitspraak

10/1952 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 maart 2010, 09/1514 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het dagelijks bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân (bestuur)
Datum uitspraak: 8 mei 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft drs. C. Atema hoger beroep ingesteld.
Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2012. Namens appellant is drs. Atema verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door R.S. de Vries.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij aanvraagformulier, gedateerd 27 februari 2009, heeft appellant verzocht hem in aanmerking te brengen voor een tegemoetkoming op grond van de Bijdrageregeling Meedoen met de Samenleving.
1.2. Bij besluit van 10 maart 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 juni 2009 (bestreden besluit), heeft het bestuur deze aanvraag afgewezen op de grond dat het inkomen waarover appellant kan beschikken, meer bedraagt dan 115% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Daarbij heeft het bestuur nog vermeld dat appellant tijdens de bezwaarschriftprocedure in overweging is gegeven om een nieuwe aanvraag in te dienen voor appellant en zijn broer samen, waarop appellant te kennen heeft gegeven dat hij hieraan niet wil meewerken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat het indienen van een nieuwe aanvraag voor onredelijk moet worden gehouden nu het bestuur eenvoudig tot beoordeling van een als gezamenlijk met zijn broer ingediend te beschouwen aanvraag had kunnen overgaan.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt allereerst vast dat het hoger beroep ziet op een besluit tot afwijzing van een bijdrage op basis van de Verordening Bijdrageregeling Meedoen met de Samenleving (Bijdrageregeling), die niet als zodanig in de bijlage bij de Beroepswet is opgenomen. De Bijdrageregeling heeft tot doel om belanghebbenden die tot de doelgroep behoren tegemoet te komen in de kosten van sociaal-culturele en sportieve activiteiten om te voorkomen dat om redenen van financiële aard niet aan deze activiteiten wordt deelgenomen. Tot de doelgroep behoren alleenstaanden en gezinnen met een inkomen van maximaal 115% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. De Bijdrageregeling vindt geen grondslag in de WWB. Ingevolge artikel 5, derde lid, van de Gemeenschappelijke regeling van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân (Gemeenschappelijke regeling) dragen de aan deze regeling deelnemende gemeentelijke bestuursorganen al hun bevoegdheden van regeling en bestuur, vastgelegd in de in het eerste en tweede lid van dat artikel genoemde wetten en de daarop gebaseerde regelingen, over aan het bestuur van de dienst. Dit betreft, voor zover hier van belang, alle wetten op de terreinen van de sociale zekerheid waarvan de uitvoering aan de gemeentebesturen is opgedragen, waaronder de Wet werk en bijstand (WWB). De raden van de deelnemende gemeenten hebben niet hun bevoegdheid ingevolge artikel 149 van Pro de Gemeentewet om autonome verordeningen te maken aan het bestuur overgedragen. Aangezien de overdracht van bevoegdheden beperkt is tot de in artikel 5, eerste en tweede lid, van de Gemeenschappelijke regeling genoemde wetten en daarop gebaseerde regelingen, kan de onderhavige verordening niet worden aangemerkt als een autonome verordening van een decentraal bestuursorgaan. Gezien het doel en de doelgroep van de Bijdrageregeling vertoont deze een sterke verwantschap met artikel 35, eerste lid, van de WWB, welke wet wel in de bijlage bij de Beroepswet is opgenomen. Derhalve is de Raad bevoegd kennis te nemen van het hoger beroep.
4.2. Gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen dient de inhoud van de Bijdrageregeling te worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder uitspraak van 7 juli 2009,
LJN BJ1918, betekent dit dat het beleid als gegeven wordt aanvaard en dat door de bestuursrechter slechts wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast.
4.3. Niet in geschil is dat appellant als alleenstaande niet aan de voorwaarden van de Bijdrageregeling voldoet. De beroepsgrond van appellant dat het bestuur de door hem ingediende aanvraag voor een alleenstaande had moeten omzetten dan wel beoordelen naar een aanvraag voor een gezin, in zijn geval samenwonenden, slaagt niet. Hierbij overweegt de Raad dat noch de WWB noch de Algemene wet bestuursrecht een bepaling kent op grond waarvan het bestuur de verplichting wordt opgelegd om zelfstandig een ingediende aanvraag te wijzigen. Het bestuur heeft derhalve terecht afwijzend beslist op de aanvraag zoals deze is ingediend. Hetgeen appellant voor het overige heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
4.4. Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.J. Govaers en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2012.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) V.C. Hartkamp.
HD