ECLI:NL:CRVB:2012:BW4445

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-4663 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 1 WWBArt. 54 lid 4 WWB
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens niet verstrekken gevraagde woongegevens

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) sinds 2005. In november 2010 ontstonden twijfels over zijn woon- en leefsituatie, waarna het college zijn bijstand opschortte en hem verzocht om aanvullende gegevens te verstrekken, waaronder een ingevuld 7-dagenformulier.

Ondanks meerdere verzoeken leverde appellant niet alle gevraagde gegevens aan, met uitzondering van enkele bankafschriften. Het college trok daarop de bijstand met terugwerkende kracht in per 4 november 2010. Appellant stelde bezwaar in, maar dit werd ongegrond verklaard en ook de rechtbank verklaarde zijn beroep ongegrond.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij voldoende duidelijkheid had gegeven over zijn situatie en dat de overige gegevens niet noodzakelijk waren. De Raad oordeelde echter dat appellant verwijtbaar naliet de essentiële gegevens binnen de gestelde termijn te overleggen, mede gezien de wisselende en onduidelijke verklaringen over zijn verblijfplaatsen.

De Raad bevestigde dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken en dat het college dit redelijk had toegepast. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.

Uitspraak

11/4663 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 2011, 11/1737 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 1 mei 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R. Pothast, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2012. Appellant is, zoals vooraf bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontving vanaf 26 september 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2. Op 1 en 4 november 2010 hebben tussen appellant en medewerkers van de Dienst Werk en Inkomen van Amsterdam gesprekken plaatsgevonden over de woon- en leefsituatie van appellant.
1.3. Bij besluit van 4 november 2010 heeft het college met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand van appellant met ingang van 4 november 2010 opgeschort op de grond dat appellant zijn woon- en leefsituatie onduidelijk is. Voorts is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 18 november 2010 en verzocht om daarbij gegevens over zijn actuele woon- en leefsituatie mee te nemen.
1.4. Bij brief van 18 november 2010 heeft het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op 1 december 2010 en verzocht om daarbij alsnog de gevraagde gegevens mee te nemen.
1.5. Appellant is verschenen op het gesprek van 1 december 2010 en heeft daarbij met uitzondering van een aantal bankafschriften niet voldaan aan het verzoek om gegevens over zijn actuele woon- en leefsituatie mee te nemen. Aan appellant is vervolgens nogmaals een termijn geboden tot 6 december 2010 om deze gegevens alsnog over te leggen, waaronder een ingevuld 7 dagenformulier.
1.6. Bij besluit van 7 december 2010 heeft het college met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 4 november 2010 op de grond dat appellant de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd.
1.7. Bij besluit van 11 februari 2011 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 november 2010 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de brief van 18 november 2010 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant geen beroep ingesteld.
1.8. Bij beslissing op bezwaar van 4 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij tijdens het gesprek op 4 november 2010 duidelijkheid heeft gegeven over zijn woon- en leefsituatie, dat hij de in zijn bezit zijnde bankafschriften heeft overgelegd en dat de andere gegevens waarom werd gevraagd niet noodzakelijk zijn om het recht op bijstand te kunnen vaststellen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 54, vierde lid, van de WWB kan het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort, intrekken.
4.2. Appellant heeft de gevraagde gegevens over zijn actuele woon- en verblijfsituatie waaronder het zogenoemde 7-dagenformulier, met uitzondering van een aantal bankafschriften, verwijtbaar niet binnen de nader gestelde termijn vóór 6 december 2010 ingeleverd. Ook daarvóór was appellant reeds in gebreke objectieve gegevens over zijn woon- en leefsituatie te verstrekken, terwijl deze onmiskenbaar van belang waren voor de vaststelling van het recht op bijstand. Daartoe bestond temeer aanleiding nu appellant steeds wisselende verklaringen over zijn woon- en leefsituatie heeft afgelegd. Zo heeft appellant op 1 november 2010 verklaard dat hij niet meer verblijft op zijn kamer [adres 1] te [woonplaats] ([adres 1]) en dat hij op het adres van zijn ex-partner verblijft. Op 4 november 2010 heeft appellant verklaard dat hij op de [adres 1] woont en dat hij ook bij mevrouw [B.] op het adres, [adres 2] te [woonplaats], verblijft. Appellant heeft geen sleutel van de woning van mevrouw [B.], hij slaapt op een matras in de woonkamer en hij kan hier terecht om zich op te frissen als hij niet op zijn kamer aan de [adres 1] kan slapen. Op 4 november 2010 en 1 december 2010 is appellant ermee geconfronteerd dat het door hem opgegeven adres aan de [adres 1] niet bestaat en heeft hij geweigerd om langs zijn kamer te gaan om de juiste straatnaam en het juiste nummer door te geven.
4.3. De Raad komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 4 november 2010 in te trekken. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
4.4. Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2012.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) R. Scheffer.
HD