ECLI:NL:CRVB:2012:BW0558

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1774 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.G. Treffers
  • J.Th. Wolleswinkel
  • A.A.M. Mollee
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag wegens ernstig plichtsverzuim door relatie met verstandelijk beperkte ex-werknemer

Betrokkene was jarenlang werkzaam bij het Regionaal Sociaal Werkvoorzieningschap Amersfoort (RWA), laatstelijk als coördinator groepsplaatsingen en eerder als leidinggevende van een verstandelijk beperkte vrouw, B. Na haar ontslag in 2006 ontstond een relatie tussen betrokkene en B die verder ging dan vriendschappelijk, wat in 2009 aan het licht kwam. Betrokkene werd geschorst en onderzocht door een bedrijfsrecherche.

Op basis van e-mail- en sms-berichten, naaktfoto’s en frequent contact werd vastgesteld dat de relatie intiem was en dat B vanwege haar verstandelijke beperking niet volledig wilsbekwaam was. Dit werd aangemerkt als ernstig plichtsverzuim omdat betrokkene zich niet gedroeg als een goed ambtenaar betaamt, ook buiten werktijd. De disciplinaire straf van ontslag werd opgelegd en bij bezwaar en rechtbank werd dit aanvankelijk vernietigd.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat ook handelen buiten werktijd plichtsverzuim kan opleveren als dit het aanzien van de openbare dienst schaadt. De relatie met B, ondanks haar status als ex-werknemer, was niet te tolereren gezien haar kwetsbaarheid en de leidinggevende positie van betrokkene. Het ontslag was niet onevenredig en het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het ontslag wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd door de Centrale Raad van Beroep.

Uitspraak

11/1774 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke regeling betreffende het Regionaal Sociaal Werkvoorzieningschap Amersfoort e.o. (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 maart 2011, 09/3096, (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene], wonende te [woonplaats], (betrokkene)
Datum uitspraak: 29 maart 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 16 februari 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.E. van Soest, juridisch adviseur, en H. Koldenhoven. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. M. van Haandel-Ouwehand, advocaat.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.1. Betrokkene was sinds 1973 werkzaam bij het Regionaal Sociaal Werkvoorzieningschap Amersfoort e.o. (RWA), het laatst als coördinator groepsplaatsingen. Eerder was betrokkene onder meer afdelingschef bij een werkbedrijf van het RWA, dit tot 1 juli 1999. In die functie was hij leidinggevende van B, een jonge verstandelijk beperkte vrouw. B is vanaf 1989 werkzaam geweest bij het RWA op basis van een indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening die verband hield met een verstandelijke handicap. Per 17 augustus 2006 is aan B, nadat zij gedurende twee jaar arbeidsongeschikt was geweest wegens psychische klachten, ontslag verleend.
1.2. In januari 2009 heeft de familie van B aan het RWA gemeld dat zij, zoals uit gesprekken met haar was gebleken, gedurende ongeveer anderhalf jaar een relatie met betrokkene heeft gehad die zij in december 2008 had beëindigd. Betrokkene is met die melding geconfronteerd en heeft daarbij gesteld dat zijn relatie met B louter privé en vriendschappelijk was.
1.3. Nadat betrokkene in februari 2009 was geschorst, heeft Hoffmaun Bedrijfsrecherche (H) een onderzoek ingesteld, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 28 april 2009.
1.4. Na het voornemen daartoe aan betrokkene bekend te hebben gemaakt, waarop hij heeft gereageerd, is betrokkene bij besluit van 12 mei 2009 (ontslagbesluit) met ingang van 15 mei 2009 de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Aan dit besluit is (samengevat) ten grondslag gelegd dat betrokkene - zonder dit aan appellant te melden - vanaf enig moment na 17 augustus 2006 gedurende minimaal anderhalf jaar een relatie met B heeft gehad die verder ging dan een louter vriendschappelijke relatie en van intieme aard was. Hierbij is onder meer verwezen naar door betrokkene en B gewisselde e-mail- en sms-berichten en is gewezen op naaktfoto’s van zichzelf die betrokkene en B aan elkaar hebben verstuurd. Betrokkene is intimiteiten aangegaan met iemand die vanwege haar gebrekkige verstandelijke ontwikkeling en kwetsbare psychische gesteldheid niet of onvolkomen in staat was haar wil daarover te bepalen. Dit moet, gezien de binnen het RWA geldende gedragsnormen, worden aangemerkt als ernstig plichtsverzuim, aldus dit besluit.
1.5. Bij het bestreden besluit van 7 oktober 2009 is het bezwaar tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit, voor zover dit het ontslag betreft, vernietigd. Verder heeft de rechtbank het ontslagbesluit herroepen. De rechtbank heeft in de eerste plaats vastgesteld dat, gezien de interne nota “Cultuur, sociaal beleid en leidinggeven bij RWA-bedrijven”, binnen het RWA de norm geldt dat een relatie tussen een leidinggevende en een WSW-werknemer niet wordt getolereerd. Volgens de rechtbank had deze norm bij betrokkene, die geruime tijd als leidinggevende heeft gewerkt, bekend kunnen zijn. De rechtbank heeft echter niet de stelling van appellant gevolgd dat deze norm ook ziet op een relatie tussen een leidinggevende en een WSW-werknemer die, zoals B, niet meer in dienst is. De rechtbank heeft het niet uitgesloten geacht dat deze norm nog enige nawerking heeft nadat de betrokken WSW-werknemer uit dienst was getreden. Volgens de rechtbank was van een dergelijke nawerking in dit geval geen sprake meer, gezien het tijdsverloop sinds de formele uitdiensttreding van B. Dit is, aldus de rechtbank, te minder het geval nu B sinds augustus 2004 wegens ziekte feitelijk niet meer heeft gewerkt. De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat betrokkene niet in strijd heeft gehandeld met een binnen het RWA geldende norm en dus geen plichtsverzuim heeft gepleegd. In het midden kan blijven of de contacten tussen betrokkene en B zijn te kwalificeren als een (intieme) relatie, aldus de rechtbank.
3. Appellant kan zich in hoger beroep met de beslissing van de rechtbank en de overwegingen die daartoe hebben geleid niet verenigen. Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak, voor zover zij aan de orde is, bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 12 mei 2011, LJN BQ5275) kan ook handelen buiten werktijd onder omstandigheden strijdig zijn met hetgeen een goed ambtenaar betaamt en daarmee plichtsverzuim opleveren. Dit kan het geval zijn in situaties waarbij het handelen, gelet op de vervulde functie, het aanzien van de openbare dienst heeft geschaad, maar ook in situaties waarbij de hoedanigheid en de gedragingen in de privésfeer onvoldoende gescheiden of te scheiden zijn.
4.2. Deze rechtspraak is op betrokkene van toepassing. Vast staat dat betrokkene in de loop van 2007 B bij toeval in Bunschoten is tegengekomen en haar, omdat hij B als oud WSW-werknemer kende, heeft uitgenodigd voor een drankje in een café. Hiermee is de relatie tussen beiden begonnen. Het bestaan van die relatie heeft in 2009 tot repercussies voor het RWA geleid. Daarom is de door de rechtbank geformuleerde nawerking - wat daarvan verder is - hier niet aan de orde.
4.3. Verder moet worden aangenomen dat de relatie tussen betrokkene en B is uitgegroeid tot een relatie die verder is gegaan dan een louter vriendschappelijke. Uit het rapport van H blijkt dit. De Raad stipt daarbij aan dat betrokkene heeft erkend dat hij B tien tot twaalf keer heeft uitgenodigd op zijn boot in Spakenburg en een keer een tocht met haar heeft gemaakt op het IJsselmeer. Verder is vastgelegd dat B een naaktfoto van zichzelf aan betrokkene heeft verstuurd en dat hij heeft geantwoord met een naaktfoto van zichzelf. Ook blijkt van zeer frequent telefonisch contact tussen beiden en zijn er e-mailberichten waarin B woorden gebruikt als “schat” en die zij eindige met “xxx”, op welke berichten betrokkene heeft geantwoord.
4.4. De onder 4.2 beschreven gedragingen van betrokkene leveren plichtsverzuim op, omdat betrokkene zich niet heeft gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. De Raad is niet gebleken dat betrokkene van dit plichtsverzuim geen verwijt kan worden gemaakt. Appellant was dus bevoegd betrokkene een disciplinaire straf op te leggen. De Raad is van oordeel dat het om plichtsverzuim gaat dat ernstig van aard is. De disciplinaire straf van ontslag acht de Raad niet onevenredig aan het vastgestelde plichtsverzuim. Dit is vooral het geval omdat betrokkene, wetende dat hij een relatie had met B, waarbinnen zij niet aan hem gelijkwaardig kon worden beschouwd, heeft toegelaten dat die relatie gaandeweg intenser werd. Ook na de ontvangst van de naaktfoto van B heeft betrokkene de relatie in stand gehouden, zonder het bestaan van die relatie aan appellant te melden. De mededelingen over de relatie aan zijn vrouw en een vriend zijn in dit verband niet van betekenis. De stelling van betrokkene dat hij niet met de geschreven regels die binnen het RWA gelden over contacten met WSW-werknemers bekend was, heeft de rechtbank terecht verworpen en de Raad neemt dit over. In het licht hiervan heeft appellant terecht het standpunt ingenomen dat betrokkene het vertrouwen heeft beschaamd dat hij als leidinggevende bij het RWA dient te hebben wat de omgang met personen met een verstandelijke handicap betreft.
4.5. Uit 4.3 volgt dat de Raad niet toekomt aan de waardering van de telefoongegevens die appellant in hoger beroep nog heeft verstrekt.
4.6. De aangevallen uitspraak kan, voor zover zij is aangevochten, geen standhouden en moet worden vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit zal de Raad ongegrond verklaren.
5. Voor een proceskostenvergoeding ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
- vernietigt de aangevallen uitspaak voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 oktober 2009 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2012.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) B. Bekkers.
RB