ECLI:NL:CRVB:2012:BW0212
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit beëindiging Ziektewet-uitkering na medisch onderzoek verzekeringsartsen
Appellante was sinds oktober 2005 arbeidsongeschikt wegens klachten aan de rechterschouder en ontving vanaf 2007 geen WIA-uitkering meer omdat zij passend werk kon verrichten. Na een periode met een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg meldde zij zich in april 2009 ziek. Het UWV beëindigde per 17 juni 2009 haar Ziektewet-uitkering en verklaarde het bezwaar hiertegen ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit, stellende dat de beoordeling van de verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat de maatstaf voor passende arbeid werd gevormd door eerder aan appellante voorgehouden functies.
Appellante bracht in hoger beroep nieuwe medische informatie in, waaronder een MRI-onderzoek uit mei 2010 waaruit een kleine hernia bleek. De Raad oordeelde echter dat deze bevinding niet relevant was voor de situatie op 17 juni 2009 en dat de klachten destijds niet overeenkwamen met de latere medische bevindingen. Ook latere medische stukken gaven geen aanleiding tot twijfel aan de eerdere beoordeling.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen proceskosten toegekend. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Ch. van Voorst op 28 maart 2012.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 17 juni 2009.