ECLI:NL:CRVB:2012:BW0203

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6588 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:75 AwbArt. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering na geschiktheid voor functie productiemedewerker metaal en electro-industrie

Appellante was uitzendkracht en viel op 8 februari 2005 uit wegens knie-, heup- en enkelklachten. Na de wettelijke wachttijd werd zij niet arbeidsongeschikt verklaard volgens de Wet WIA, omdat zij geschikt werd geacht voor diverse functies, waaronder productiemedewerker metaal en electro-industrie (soldeerder). Het Uwv beëindigde haar ziekengeld per 29 juni 2009 op basis van een medische beoordeling.

De rechtbank vernietigde het besluit vanwege een gebrekkige motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep stelde appellante dat zij de functie niet kon verrichten vanwege een beperking met het bedienen van een voetpedaal. Zij overlegde een brief van haar neuroloog ter onderbouwing.

De Raad oordeelde dat de bezwaarverzekeringsarts de medische gegevens adequaat had beoordeeld en concludeerde dat appellante geschikt was voor de functie, omdat het voetpedaal met de rechtervoet bediend kan worden en de fysieke belasting gering is. De brief van de neuroloog betrof een latere periode en wijzigde de beoordeling niet. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van het ziekengeld bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld per 29 juni 2009 wordt bevestigd.

Uitspraak

10/6588 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 27 oktober 2010, 09/998 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 28 maart 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.C.M. Peper, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Peper. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was werkzaam als uitzendkracht in de functie van productiemedewerkster toen zij voor dit werk op 8 februari 2005 is uitgevallen met onder meer pijnklachten aan de linkerknie, de linkerheup en de rechterhak. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd heeft het Uwv haar geen uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend op de grond dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Hieraan ligt ten grondslag een rapport van de arbeidsdeskundige J.F. Frons waarin te kennen is gegeven dat appellante geschikt kan worden geacht voor de functies van inpakker bakkerijproducten, stikster/textielproductenmaker en productiemedewerker metaal en electro-industrie (soldeerder). Aansluitend ontving appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit deze situatie heeft appellante zich per 1 oktober 2008 ziek gemeld wegens knie- en enkelklachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts T. Giesen. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 29 juni 2009 weer geschikt kon worden geacht voor de functies die zijn geselecteerd in het kader van de eerdere Wet WIA-beoordeling. Bij besluit van 22 juni 2009 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij dienovereenkomstig met ingang van 29 juni 2009 geen recht meer had op ziekengeld.
1.2. Na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts A.B. Gille heeft het Uwv bij besluit van 26 augustus 2009 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 juni 2009 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit geheel in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit in strijd is genomen met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat eerst in beroep een deugdelijke motivering is gegeven voor het standpunt dat appellante met ingang van 29 juni 2009 geschikt kan worden geacht voor haar arbeid in de zin van de Ziektewet (ZW). Daarbij heeft de rechtbank doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 7 juni 2010 waaruit blijkt dat uiteindelijk alleen de functie van productiemedewerker metaal en electro-industrie (soldeerder) voor appellante geschikt kan worden geacht.
3. In hoger beroep voert appellante aan dat zij ook niet in staat is de functie van productiemedewerker metaal en electro-industrie (soldeerder) te verrichten omdat zij geen voetpedaal kan bedienen met de rechtervoet. Ter onderbouwing legt appellante een brief over van haar behandelend neuroloog van 1 november 2010.
4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.
4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de Wet WIA.
4.3. De Raad ziet zich voor de vraag gesteld of appellante per 29 juni 2009 geschikt kon worden geacht voor de functie van productiemedewerker metaal en electro-industrie (soldeerder). De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en acht daarbij van belang dat de bezwaarverzekeringsarts Gille, zoals blijkt uit het onder 2 genoemde rapport, de in beroep overgelegde medische informatie van de huisarts en de medisch adviseur heeft beoordeeld en tot de conclusie is gekomen dat de objectivering van slijtage van de linkerenkel een nieuw medisch feit betreft. Met inachtneming hiervan heeft Gille de eerder geduide functies nogmaals beoordeeld en is hij tot de slotsom gekomen dat de functies van stikster en inpakker niet langer geschikt zijn te achten voor appellante. De functie van productiemedewerker metaal en electro-industrie (soldeerder) acht hij echter wel geschikt voor appellante omdat dit een zittende functie betreft waarbij één voetpedaal moet worden bediend met de voet naar keuze. Appellante kan dit pedaal bedienen met haar rechtervoet. De beperking van haar grote teen belemmert haar niet in deze handeling omdat deze teen hierbij niet wordt belast. Nu ook de belasting buiten het zitten om in deze functie niet fysiek zwaar is (lopen, staan, tillen) wordt volgens de bezwaarverzekeringsarts Gille ook tegemoet gekomen aan de door de medisch adviseur Sok gestelde beperking betreffende fysiek zwaar belastende arbeid. In het vorenstaande ziet de Raad - evenals de rechtbank - een inzichtelijk motivering van het standpunt dat appellante, ondanks haar beperkingen, met ingang van 29 juni 2009 geschikt kon worden geacht voor de functie van productiemedewerker metaal en electro-industrie (soldeerder). De in hoger beroep overgelegde brief van de neuroloog maakt dat niet anders. Daarbij merkt de Raad op dat deze informatie ziet op een periode ver na de datum hier in geding en de conclusie atypische knie- en teenklachten rechts waarvoor geen duidelijke neurologische oorzaak aantoonbaar, overigens in essentie niet afwijkt van de al eerder bij de bezwaarverzekeringsarts bekende medische gegevens. Het Uwv heeft dan ook op goede gronden het recht op ziekengeld van appellante met ingang van 29 juni 2009 beëindigd.
4.4. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2012.
(get.) Ch. van Voorst.
De griffier is buiten staat te ondertekenen
JL