ECLI:NL:CRVB:2012:BV9635
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering en niet-ontvankelijkheid bezwaar Plan van Aanpak
Appellant ontving aanvankelijk een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en later een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant niet langer recht had op de Ziektewetuitkering omdat hij geschikt werd geacht voor zijn arbeid of passende functies. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en tegen een Plan van Aanpak dat hem was toegezonden.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij vanwege rugklachten niet arbeidsgeschikt was en dat het Plan van Aanpak wel rechtsgevolgen had. De Raad overwoog dat onder 'zijn arbeid' de laatst verrichte arbeid wordt verstaan en dat bij blijvende geschiktheid voor ten minste één passende functie geen recht op ZW-uitkering bestaat.
De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe medische gegevens had aangevoerd en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Tevens stelde de Raad vast dat het Plan van Aanpak geen concrete afspraken bevat en geen zelfstandig rechtsgevolg heeft, zodat het geen besluit is in de zin van de Awb. Het bezwaar tegen het Plan van Aanpak werd daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraken werden bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd en bezwaar tegen Plan van Aanpak niet-ontvankelijk verklaard.