ECLI:NL:CRVB:2012:BV9427

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4541 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld na medisch onderzoek

Appellante, voormalig schoonmaakster, meldde zich ziek met klachten van nek en duizeligheid. Na medisch onderzoek door een verzekeringsarts en een bezwaarverzekeringsarts werd vastgesteld dat zij vanaf 27 april 2009 geschikt was voor haar laatst verrichte werk. Het UWV beëindigde daarop het recht op ziekengeld.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende rekening hield met haar medische voorgeschiedenis, waaronder zes miskramen en toegenomen duizeligheidsklachten, en dat er geen contact was geweest met haar behandelend artsen. Zij overhandigde aanvullend medisch bewijs en verzocht om benoeming van een onafhankelijke neuroloog.

De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij de klachten en voorgeschiedenis bekend waren. De bezwaarverzekeringsarts vond geen objectieve pathologie die haar klachten verklaarde en concludeerde dat zij adequaat functioneerde in haar werk. De aanvullende medische informatie leidde niet tot wijziging van het standpunt. De Raad zag geen reden voor benoeming van een onafhankelijke deskundige en verklaarde het hoger beroep ongegrond, waarmee de eerdere uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld blijft beëindigd.

Uitspraak

10/4541 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 juni 2010, 09/2308 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 21 maart 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. van den Bogart, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bogart. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante, voorheen werkzaam als schoonmaakster, heeft zich vanuit een uitkeringssituatie in gevolge de Werkloosheidswet per 11 december 2008 ziek gemeld met klachten van de nek en duizeligheid. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante twee maal het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts J.M. Blankenberg. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 27 april 2009 geschikt kan worden geacht voor haar laatst verrichte werk als schoonmaakster. Bij besluit van 22 april 2009 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij dienovereenkomstig met ingang van 27 april 2009 geen recht meer heeft op ziekengeld.
1.2. Na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts L.T.M. Lenders heeft het Uwv bij besluit van 29 mei 2009 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 april 2009 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 29 mei 2009.
3. In hoger beroep voert appellante aan dat het Uwv geen rekening heeft gehouden met het feit dat zij zes keer een miskraam heeft gehad. Door tevens geen rekening te houden met een toename van de duizeligheidsklachten en het niet willen benaderen van de behandelend artsen is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld. Appellante heeft daarbij informatie overgelegd van een fysio- en manueeltherapeut en neuroloog B.P.C. van de Warrenburg. Ten slotte verzoekt zij de Raad om een neuroloog als onafhankelijk deskundige te benoemen.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.
4.3. De Raad ziet geen aanleiding het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de verzekeringsarts appellante op de spreekuren van 18 februari 2009 en 22 april 2009 heeft onderzocht en daarbij op de hoogte was van de klachten van duizelingen, flauwvallen en hyperventilatie. Ook was de verzekeringsarts bekend met het feit dat appellante zes keer een miskraam heeft gehad. De bezwaarverzekeringsarts Lenders heeft vervolgens het dossier bestudeerd en appellante op het spreekuur van 20 mei 2009 onderzocht. In zijn rapport van 29 mei 2009 heeft hij te kennen gegeven dat appellante inmiddels zeven jaar klachten heeft die volstrekt onveranderd zijn gebleven en waarvoor ook geen enkele behandeling is gestart. Objectief heeft de bezwaarverzekeringsarts geen duidelijke pathologie als verklaring voor haar aanhoudende klachten kunnen vinden of aannemen. Dit leidt volgens de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie dat appellante gedurende een periode van anderhalf jaar in het laatst verrichte werk als schoonmaakster in dezelfde medische toestand als op de datum hier in geding kennelijk adequaat heeft gefunctioneerd. Appellante moet dan ook voor dit werk geschikt worden geacht. In de in hoger beroep overgelegde medische informatie van de neuroloog en de fysio- en manueeltherapeut heeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gezien het eerdere standpunt te wijzigen. Daarbij heeft hij te kennen gegeven dat deze informatie ziet op een periode ver na de datum in geding en door neuroloog Van de Warrenburg tevens geen classificerende diagnose is gesteld. Uit het vorenstaande volgt dat de bezwaarverzekeringsarts, naar het oordeel van de Raad, inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom appellante met ingang van 27 april 2009 geschikt moet worden geacht voor haar werk als schoonmaakster. Voor een benoeming van een onafhankelijk deskundige ziet de Raad dan ook geen aanleiding.
4.4. Hetgeen onder 4.2 en 4.3. is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2012.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) K.E. Haan.
TM