ECLI:NL:CRVB:2012:BV8898
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering postume toelating echtgenoot tot vrijwillige ANW-verzekering
Appellante heeft verzocht om haar overleden echtgenoot postuum toe te laten tot de vrijwillige verzekering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Dit verzoek is door de Sociale verzekeringsbank (Svb) afgewezen omdat de echtgenoot sinds 1 januari 2000 niet meer verplicht verzekerd was voor de Nederlandse volksverzekeringen.
De rechtbank Amsterdam had het beroep van appellante eerder ongegrond verklaard. Appellante voerde aan dat haar echtgenoot wel voldeed aan de voorwaarden voor vrijwillige verzekering op grond van de AWBZ en dat hij verplicht verzekerd was ingevolge de AOW. Ook stelde zij dat haar echtgenoot niet op de hoogte was gesteld van de wijzigingen in de verzekeringsplicht.
De Raad overwoog dat de echtgenoot van appellante sinds 1985 de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt en dus niet meer verplicht verzekerd was ingevolge de AOW. Verder was vastgesteld dat hij sinds 1 januari 2000 niet meer verplicht verzekerd was voor andere takken van sociale zekerheid. De Raad concludeerde dat appellantes echtgenoot niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijwillige verzekering op grond van artikel 63e van de ANW.
Daarnaast oordeelde de Raad dat appellantes echtgenoot op de hoogte moet zijn geweest van het eindigen van de verplichte verzekering, mede gelet op het feit dat hij bezwaar had gemaakt tegen premieheffing en dat de Svb meerdere informatiebrieven had verzonden.
Gelet op deze overwegingen werd het hoger beroep van appellante ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag om postume toelating tot de vrijwillige ANW-verzekering is terecht afgewezen.