ECLI:NL:CRVB:2012:BV7794

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-6138 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens hennepteelt vanaf november 2009

Het college van burgemeester en wethouders van Heerlen heeft de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 1 november 2009 en de kosten van bijstand over de periode tot 1 januari 2010 teruggevorderd vanwege het starten van een hennepkwekerij in zijn garage. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.

Het college heeft aannemelijk gemaakt dat appellant vanaf 1 november 2009 hennepteelt verrichtte, mede op basis van politierapporten waarin op 9 februari 2010 128 jonge hennepplanten werden aangetroffen en aanwijzingen voor een eerdere oogst werden vastgesteld. Appellant heeft tegenstrijdige verklaringen gegeven over de apparatuur en zijn stelling dat hij pas in januari 2010 begon niet met bewijs onderbouwd.

Omdat appellant niet is verschenen om vragen te beantwoorden en geen tegenbewijs heeft geleverd, blijft het bewijsrisico bij hem. Het hoger beroep wordt daarom verworpen. De Raad wijst op de mogelijkheid voor appellant om een betalingsregeling te treffen met het college. Proceskosten worden niet toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand per 1 november 2009 wordt bevestigd.

Uitspraak

11/6138 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
P R O C E S – V E R B A A L
van mondelinge uitspraak
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 september 2011, 10/1570 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)
Datum uitspraak: 15 februari 2012
Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte als voorzitter van de enkelvoudige kamer
Griffier: J. de Jong
Ter zitting zijn verschenen:
mr. S.M.J. Dohmen, advocaat van appellant;
mr. A.F. Dekker, vertegenwoordiger van het college.
Appellant is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het college heeft de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2009 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 november 2009 tot 1 januari 2010 teruggevorderd op de grond dat appellant op 1 november 2009 is gestart met een hennepkwekerij in de garage bij zijn woning. De rechtbank heeft het beroep daartegen ongegrond verklaard.
Bij een belastend besluit als hier aan de orde dient het college aannemelijk te maken dat appellant zich vanaf 1 november 2009 met hennepteelt heeft bezig gehouden en dus vanaf die datum de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant betoogt dat het college hierin niet is geslaagd.
Uit de processen-verbaal van 9 februari 2010 en 19 februari 2010, opgemaakt door de regiopolitie Limburg Zuid, blijkt dat op 9 februari 2010 128 hennepplanten van ongeveer 15 centimeter hoog en ongeveer twee weken oud in de garage van appellant zijn aangetroffen. Niet in geschil is dat de aangetroffen apparatuur eerder is gebruikt. Volgens de politie is aannemelijk dat er ter plekke een eerdere oogst is geweest. De politie heeft namelijk stof aangetroffen op de lampenkappen en verkleuring van de hoes van het aanwezige stoffilter en kalkafzetting op de potten vastgesteld. Op een in de kweekruimte gevonden schaar waren resten van werkzame bestanddelen van volgroeide hennepplanten aanwezig. Bovendien heeft appellant tegenstrijdige verklaringen afgelegd omtrent de herkomst van de apparatuur.
Het college heeft hiermee aannemelijk gemaakt dat ten tijde van de ontmanteling van de hennepkwekerij op 9 februari 2010 ter plaatse een eerdere hennepoogst was geweest. Het college heeft niet onzorgvuldig gehandeld door, rekening houdende met een zekere voorbereidingstijd en een al vaker aanvaarde groeicyclus van hennepplanten van 10 weken, de aanvangsdatum van de hennepkwekerij vast te stellen op 1 november 2009.
Appellant stelt dat hij geen eerdere oogst heeft gehad, dat hij pas begin januari 2010 is begonnen met de voorbereidingen van de hennepkwekerij en dat hij de apparatuur tweedehands via Marktplaats heeft aangeschaft. Hij heeft dit echter in het geheel niet met bewijsstukken onderbouwd. Hiermee heeft appellant met betrekking tot het kunnen leveren van tegenbewijs omtrent de start van de hennepkwekerij een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen geheel voor zijn rekening en risico dient te blijven. In dit kader komt tevens betekenis toe aan het feit dat appellant, hoewel daartoe opgeroepen, niet ter zitting is verschenen voor het geven van toelichting en beantwoording van vragen omtrent de aanvangsdatum van de hennepkwekerij.
Het hoger beroep slaagt daarom niet.
Zoals ter zitting is besproken kan appellant zich tot het college wenden met het verzoek een betalingsregeling te treffen ter aflossing van de ontstane schuld.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
Utrecht, 15 februari 2010
De griffier, De voorzitter,
J. de Jong. O.L.H.W.I. Korte.
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep.
HD