ECLI:NL:CRVB:2012:BV7446
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding schade wegens verjaring na onrechtmatig handelen minister
Appellant, voormalig militair bij de Koninklijke Luchtmacht, verzocht de minister van Defensie om vergoeding van materiële en immateriële schade die hij sinds 1989 zou hebben geleden. Deze schade zou zijn ontstaan doordat hij in 1990 ten onrechte als verdachte van zedendelicten werd aangemerkt en zijn strafzaken later werden geseponeerd, terwijl de beschuldigingen lang op zijn naam bleven staan. De minister wees het verzoek af wegens het ontbreken van onrechtmatig handelen en vanwege verjaring.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat de verjaringstermijn van vijf jaar in 1990 was gestart en appellant niet binnen deze termijn zijn vordering had ingediend, noch aannemelijk had gemaakt dat hij dit niet eerder kon doen. In hoger beroep voerde appellant aan dat de verjaring pas in 2008 begon, toen hij de mogelijkheid kreeg bezwaar te maken.
De Raad onderschreef de rechtbank en oordeelde dat de verjaringstermijn inderdaad in 1990 is begonnen. Tevens stelde de Raad dat een schriftelijke en ondubbelzinnige mededeling vereist is om de verjaring te stuiten, wat appellant niet heeft gedaan. Ondanks zijn herhaalde aandacht voor zijn situatie, ontbrak een dergelijke schriftelijke stuiting. Daarom werd het beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van schade wordt afgewezen wegens verjaring en het ontbreken van een schriftelijke stuiting.