ECLI:NL:CRVB:2012:BV6883
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand voor vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf
Verzoekster en haar minderjarige kinderen, vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in Nederland, deden aanvragen voor maatschappelijke opvang en bijstand. De gemeente wees de aanvragen af, waarop verzoekster bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde. De rechtbank vernietigde het besluit tot afwijzing van de bijstandaanvraag vanwege een onzorgvuldige voorbereiding, omdat de gemeente de beoordeling van de aanvragen op grond van de WWB en WMO niet op elkaar had afgestemd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de vraag of verzoekster en haar kinderen als kwetsbare personen bijzondere bescherming genieten op grond van artikel 8 EVRM Pro in het kader van de WWB in het midden kan worden gelaten, omdat zij geen rechtmatig verblijf hadden. Daarom was de gemeente niet verplicht de beoordeling van de bijstandaanvraag af te stemmen op die van de maatschappelijke ondersteuning. Tevens bevestigde de Raad dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf geen bijstand kunnen ontvangen onder de WWB, ook niet op grond van artikel 16, tweede lid.
De Raad vernietigde het besluit van 28 januari 2011 en verklaarde het beroep tegen het besluit van 29 juli 2010, waarbij de aanvraag om bijstand was afgewezen, ongegrond. Omdat in de hoofdzaak werd beslist, wees de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag om bijstand wordt ongegrond verklaard omdat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf geen bijstand kunnen ontvangen.