ECLI:NL:CRVB:2012:BV2039
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering
Appellant was sinds 1 mei 2008 werkzaam als slagerijmedewerker en viel op 19 juni 2008 wegens rugklachten uit. Hij vroeg een WIA-uitkering met verkorte wachttijd aan, maar het UWV wees dit af omdat hij al arbeidsongeschikt was bij aanvang van zijn verzekering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant reeds bij aanvang forse beperkingen had door de aandoening DISH. De verzekeringsartsen concludeerden op basis van medische gegevens en rapporten dat appellant beperkt was in staan en tillen, en dat het werk bij de slagerij te zwaar voor hem was.
Appellant voerde aan dat hij pas na uitval door verzekeringsartsen was onderzocht en dat zijn klachten niet direct samenhingen met DISH bij aanvang. Ook stelde hij dat zijn werkzaamheden aanvankelijk licht waren en dat het UWV onterecht was teruggekomen op een eerdere toekenning van uitkering.
De Raad oordeelde dat de medische gegevens voldoende en ondubbelzinnig indiceren dat appellant bij aanvang van zijn verzekering al arbeidsongeschikt was. De Raad hechtte meer waarde aan de eerste verklaring van appellant over de zwaarte van het werk dan aan latere tegenstrijdige verklaringen. Het beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel faalde omdat het UWV de eerdere fout snel herstelde en appellant had kunnen en moeten begrijpen dat de toekenning mogelijk onjuist was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.