ECLI:NL:CRVB:2012:BV1917

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3108 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO)
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek terug te komen op WAO-besluit wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant, die in Nederland werkzaam was en zich in 1996 ziek meldde met psychische klachten, kreeg in 2001 een afwijzing van een WAO-uitkering omdat zijn arbeidsongeschiktheid op 3 september 1997 minder dan 15% was. In 2007 diende hij een nieuw verzoek in om terug te komen op dit besluit, maar dit werd door het UWV afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.

In hoger beroep stelde appellant dat hij nog steeds ziek was en dat het UWV ten onrechte geen nader medisch onderzoek had verricht. De Raad oordeelde dat voor terugkomen op een eerder besluit nieuwe feiten of veranderde omstandigheden moeten worden aangevoerd. De medische stukken die appellant overhandigde waren grotendeels reeds bekend bij het UWV en boden geen nieuw inzicht in zijn situatie op de datum in geding.

De Raad concludeerde dat het UWV terecht het verzoek afwees zonder nader onderzoek en dat er geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na 3 september 1997. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het WAO-besluit uit 2001 wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

10/3108 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2010, 09/218 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 januari 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft zich nadien nog enige malen schriftelijk tot de Raad gewend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. H.B. Heij.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is in Nederland werkzaam geweest. In 1996 is hij, nadat hij zich op 4 september 1996 ziek had gemeld met psychische klachten, op advies van zijn behandelend psychiater voor korte tijd naar Marokko gegaan. Bij terugkeer is hem de toegang tot Nederland geweigerd. Bij besluit van 22 oktober 2001 is hem een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) geweigerd omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid, op 3 september 1997, minder dan 15% was. Daartegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend. In 2007 heeft appellant een nieuwe aanvraag voor een WAO-uitkering ingezonden. Door het Uwv is dit aangemerkt als een verzoek terug te komen op het besluit van 22 oktober 2001. Dit verzoek is bij besluit van 31 juli 2008 afgewezen.
1.2. Bij besluit van 29 december 2008 heeft het Uwv het bezwaar tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluit van 12 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 29 december 2008 ingetrokken en het bezwaar tegen het besluit van 31 juli 2008 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep benadrukt appellant opnieuw dat hij in Nederland ziek is geworden en nog steeds is. Daarnaast meent hij dat het Uwv ten onrechte zonder nader medisch onderzoek tot het bestreden besluit is gekomen.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Overeenkomstig het door de rechtbank met juistheid aangehaalde beoordelingskader van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
4.3. De Raad constateert dat appellant zijn verzoek om terug te komen op het besluit van 22 oktober 2001 weliswaar vergezeld heeft doen gaan van een groot aantal medische stukken, maar dat slechts een gedeelte daarvan ziet op de periode rond de datum in geding. Deze stukken waren bij het Uwv bekend bij het nemen van het besluit van 22 oktober 2001, dan wel werpen geen nieuw licht op de medische situatie van appellant op de datum in geding, 3 september 1997. Daar komt bij dat appellant op 29 juni 2001 in Nederland is onderzocht door psychiater K.R.M. Wettstein en dat diens rapport mede ten grondslag heeft gelegen aan het besluit van 22 oktober 2001. De door appellant ingezonden stukken geven geen aanleiding te veronderstellen dat het rapport van Wettstein niet juist zou zijn. Ook bieden de door appellant ingezonden stukken op geen enkele wijze een basis voor de veronderstelling dat er sprake zou zijn van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na 3 september 1997.
4.4. Het Uwv was gelet op het overwogene onder 4.2 en 4.3 bevoegd om met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met een verwijzing naar het besluit van 22 oktober 2001. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2012.
(get.) J. Riphagen.
(get.) H.L. Schoor.
KR