Art. 2.21 Besluit spelregels bij reorganisatie en mobiliteitArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Weigering benoeming projectleider B/C na reorganisatie LOTUS bevestigd
Appellant was werkzaam bij het stadsdeel Amsterdam Oud Zuid en solliciteerde naar de nieuwe functie van projectleider B/C binnen de reorganisatie LOTUS. Het dagelijks bestuur besloot hem niet te benoemen omdat hij, ondanks zijn technische kwaliteiten, onvoldoende oog had voor de procesmatige kant en het projectmatig werken dat in de nieuwe functie vereist werd.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en tegen de toekenning van de boventalligheids- en RAP-status. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het dagelijks bestuur in redelijkheid heeft kunnen weigeren appellant te benoemen.
De Raad wees ook op het feit dat appellant geen bezwaar had gemaakt tegen het besluit dat de functie projectleider B/C een nieuwe functie was, waardoor hij diende te solliciteren. Daarnaast kon appellant geen beroep doen op zijn herplaatsingsstatus omdat die alleen aanspraak geeft op passende functies volgens het Besluit spelregels bij reorganisatie en mobiliteit.
Het oordeel van de sollicitatiecommissie en eerdere functioneringsgesprekken ondersteunden het besluit dat appellant onvoldoende meewilde in het veranderingsproces dat de LOTUS-reorganisatie beoogde. De Raad kende geen vergoeding van proceskosten toe en bevestigde de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: Het dagelijks bestuur mocht appellant terecht weigeren te benoemen tot projectleider B/C binnen de reorganisatie LOTUS.
Uitspraak
10/5216 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 2010, 09/927, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel Oud Zuid, thans stadsdeel Zuid, van de gemeente Amsterdam, (hierna: dagelijks bestuur),
Datum uitspraak: 5 januari 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2011. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. F.F. van Norel, werkzaam bij ARAG te Leusden. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. N. Zwagerman, werkzaam bij stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant was werkzaam als [naam functie] bij het stadsdeel Amsterdam Oud Zuid. In het kader van een reorganisatie onder de naam LOTUS is bij besluit van 7 maart 2006 aan appellant meegedeeld dat de functie van [naam functie] in de nieuwe organisatie niet meer voorkwam en dat de functie van projectleider in de nieuwe organisatie een nieuwe functie was. Hierdoor stond deze functie open voor alle belangstellenden, afkomstig uit de diverse betrokken afdelingen uit de oude organisatie. Tegen dit besluit is door appellant geen bezwaar gemaakt.
1.2. Appellant heeft gesolliciteerd naar de nieuwe functie van projectleider C/B. Bij besluit van 14 juni 2006 heeft het dagelijks bestuur appellant meegedeeld hem niet in deze functie te benoemen. Vervolgens heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 22 juni 2006 aan appellant per 1 juli 2006 de boventalligheidsstatus en per 1 augustus 2006 de RAP-status als geregeld in het Sociaal Plan toegekend.
1.3. Tegen beide besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 27 januari 2009 zijn beide besluiten gehandhaafd. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
2. Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
2.1. Appellant heeft in hoger beroep wederom aangevoerd dat de nieuwe functie projectleider C/B voor meer dan 60% overeenkomt met zijn oude functie. Voor zover appellant daarmee beoogt te stellen dat hem de functie zonder sollicitatieprocedure had moeten worden toegewezen, stuit dit betoog af op het feit dat appellant tegen het besluit van
7 maart 2006 geen rechtsmiddel heeft aangewend. De rechtbank is, nu het besluit dat de functie projectleider C/B in de nieuwe organisatie een nieuwe functie is, onherroepelijk was geworden, er terecht van uitgegaan dat er sprake was van een nieuwe functie, waarop appellant diende te solliciteren.
2.2. Appellant heeft ook in hoger beroep weer gewezen op de besluitvorming met betrekking tot zijn collega [naam collega]. De door appellant gemaakte vergelijking gaat niet op. Niet alleen betrof het in dat geval een andere functie dan die van projectleider, maar ook had [naam collega], anders dan appellant, geen besluit, zoals dat van 7 maart 2006, omtrent het nieuwe karakter van de nieuwe functie ontvangen. Om die reden kon de afwijzing van zijn sollicitatie naar een nieuwe functie wel tevens worden opgevat als een bezwaar tegen de aanwijzing van die functie als een nieuwe functie en kon daarom ook in bezwaar aan de orde komen of de nieuwe functie van Gebiedsbeheerder al dan niet terecht als een nieuwe functie was aangemerkt en of, aangezien het inderdaad niet een nieuwe functie betrof, al om die reden die functie ook aan [naam collega] had moeten worden toegekend.
2.3. Met betrekking tot het besluit van 14 juni 2006 onderschrijft de Raad het oordeel en de daarvoor gegeven motivering van de rechtbank dat het dagelijks bestuur in redelijkheid heeft kunnen weigeren appellant in de nieuwe functie van projectleider B/C te benoemen. Appellant werd op advies van de sollicitatiecommissie niet geschikt bevonden voor deze functie omdat hij, ondanks zijn kwaliteiten voor wat betreft de technisch inhoudelijke kant van de functie, onvoldoende oog zou hebben voor de proceskant, het projectmatig werken, dat in de nieuwe organisatie van de projectleider B/C werd vereist. Ook zou appellant te weinig positief staan tegenover het LOTUS-project en de veranderingen in werkwijze en cultuur, die daarmee werden beoogd. Dit oordeel van de sollicitatiecommissie over de houding van appellant ten aanzien van de door het dagelijks bestuur gewenste wijzigingen met betrekking tot de uitoefening van de functie wordt ook ondersteund door een in 2005 gehouden functioneringsgesprek en een aan het eind van dat jaar opgestelde beoordeling, waarin samenvattend is geconcludeerd dat appellant noch qua werkwijze, noch qua vaardigheden, noch qua gedrag laat zien dat hij mee wil in het veranderingsproces.
2.4. Appellant heeft zich nog beroepen op de voorrangspositie die hij zou ontlenen aan zijn herplaatsingsstatus. Ten aanzien hiervan merkt de Raad op dat het bestreden besluit nog slechts betrekking had op de plaatsings- en selectieprocedure op basis van het Sociaal Plan LOTUS van 10 januari 2006. Blijkens de onderdelen 1.4. en 1.6 van dit Plan geschieden de onderhavige selectie en plaatsing in het kader van de LOTUS-reorganisatie op basis van het geschiktheidscriterium. Aan appellant is eerst daarna, als een bij de reorganisatie boventallig gebleken ambtenaar, de herplaatsingsstatus toegekend. Die herplaatsingsstatus kon daarom ook geen argument vormen om het bestreden besluit voor onjuist te houden.
Overigens geldt ook met betrekking tot het voorrangsrecht van een herplaatsingskandidaat ingevolge het Besluit spelregels bij reorganisatie en mobiliteit dat daarop slechts aanspraak bestaat bij aanwezigheid van een passende functie in de zin van artikel 2.21 van dit Besluit.
2.5. Tegen het oordeel van de rechtbank betreffende het besluit van 22 juni 2006 heeft appellant geen zelfstandige grieven aangevoerd. Evenals in de procedure bij de rechtbank geldt ook thans dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de herplaatsings- dan wel RAP-status terecht aan appellant is toegekend.
2.6. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
3. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2012.