ECLI:NL:CRVB:2012:BV0944
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellant en appellante ontvingen beiden bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een anonieme tip en een onderzoek van de Sociale Recherche concludeerde het College dat zij vanaf 31 december 2003 een gezamenlijke huishouding voerden. Dit leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van kosten.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat onvoldoende feitelijke grondslag bestond voor de gezamenlijke huishouding en dat verklaringen van appellante onder druk waren afgelegd zonder rechtsbijstand. Ook verwezen zij naar hun vrijspraak in een strafzaak over uitkeringsfraude.
De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellante, getuigenverklaringen en observaties een toereikende grondslag vormen voor de conclusie dat appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. De Raad verwierp het beroep op het EHRM-recht op rechtsbijstand omdat het hier geen strafrechtelijke procedure betrof. Ook was geen sprake van ontoelaatbare druk bij de verklaring van appellante.
De vrijspraak in de strafzaak deed niet af aan de bestuursrechtelijke beoordeling. De Raad bevestigde de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en wees de beroepen af.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd en het hoger beroep van appellanten wordt afgewezen.