ECLI:NL:CRVB:2012:BV0193
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk na wachttijd
Appellante, werkzaam als consulente re-integratie en arbeidstoeleiding, meldde zich op 1 september 2003 ziek. Het UWV weigerde haar per 30 augustus 2004 een WAO-uitkering toe te kennen omdat zij geschikt werd geacht voor haar eigen werk. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar en een eerdere niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding.
In 2006 meldde appellante zich opnieuw ziek en verzocht zij op grond van artikel 43a WAO om een verkorte wachttijd voor een WAO-uitkering. Het UWV wees dit verzoek af, omdat zij per 30 augustus 2004 geschikt was voor haar arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde vast dat appellante niet tot de doelgroep van artikel 43a WAO behoorde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel, verwijzend naar eerdere jurisprudentie dat artikel 43a WAO alleen ziet op verzekerden die na de reguliere wachttijd niet geschikt zijn voor hun eigen werk. Appellante kon niet worden geacht tot deze doelgroep te behoren, mede omdat zij niet tijdig beroep had ingesteld tegen het eerdere besluit. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAO-uitkering bevestigd.