ECLI:NL:CRVB:2012:BV0189

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1568 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZiektewetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit geen recht op ziekengeld wegens arbeidsongeschiktheid

Appellante meldde zich op 4 december 2007 ziek vanuit een uitkeringssituatie en kreeg op 3 maart 2009 bericht dat zij geen recht meer had op ziekengeld omdat zij niet langer ongeschikt werd geacht voor haar arbeid. Het bezwaar tegen dit besluit werd ongegrond verklaard en de rechtbank handhaafde dit besluit.

De Raad stelde vast dat het UWV ten onrechte het werk als orderpikker als maatstaf voor de arbeid hanteerde, terwijl het werk als productiemedewerkster bij Danone de juiste maatstaf is. Hierdoor moesten het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd.

De Raad onderzocht vervolgens of de rechtsgevolgen van het besluit in stand konden blijven. Uit medische rapporten bleek dat het werk bij Danone staand werk was met repetitieve bewegingen, maar niet zwaar belastend. De medische bevindingen ondersteunden dat appellante dit werk kon verrichten.

Daarom werden de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand gelaten. Het UWV werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

10/1568 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 februari 2010, 09/2024 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 januari 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.T. Bosch, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2011.
Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bosch. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante heeft zich op 4 december 2007 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld.
2. Bij besluit van 3 maart 2009 is aan appellant meegedeeld dat zij met ingang van 10 maart 2009 geen recht meer had op ziekengeld, omdat zij op en na deze datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid.
3. Bij besluit van 8 april 2009 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 maart 2009 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij beslissende betekenis toegekend aan de door de (bezwaar)verzekeringsarts uitgebrachte rapporten.
5. De Raad overweegt het volgende.
5.1. Uit de stukken blijkt dat appellante na haar dienstverband als orderpikker bij [naam werkgever] sinds september 2003, met onderbrekingen wegens arbeidsongeschiktheid, een werkloosheidsuitkering ontving. Vóór haar ziekmelding van 4 december 2007 heeft appellante echter laatstelijk acht weken als productiemedewerkster gewerkt bij Danone. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 29 september 2010 (LJN BN 8717) stelt de Raad vast dat dit werk de maatstaf voor de arbeid in de zin van artikel 19 van Pro de Ziektewet (ZW) vormt. Het Uwv heeft mitsdien bij het bestreden besluit ten onrechte voormeld werk als orderpikker als maatstaf voor de arbeid gehanteerd, zodat de rechtbank dit besluit ten onrechte in stand heeft gelaten.
5.2. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd.
5.3. De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. De Raad heeft daartoe het volgende overwogen.
5.4. De Raad stelt vast dat het werk als productiemedewerkster bij Danone in een verzekeringsgeneeskundig rapport van 14 maart 2005, naar aanleiding van een eerdere ziekmelding van appellante, wordt besproken. In dit rapport wordt beschreven dat het ging om staand werk aan de lopende band, waarbij moest worden gestickerd en kleine pakjes “danoontjes” in een doos moesten worden gestapeld. Zoals de bezwaarverzekeringsarts in een rapport van 11 maart 2011 beschrijft is vanuit een oogpunt van belasting in deze functie essentieel dat staand werd gewerkt, dat er sprake was van repetititieve armbewegingen , dat het ging om een in gewicht niet als zwaar aan te merken product en dat het werktempo een dwingend karakter kende wegens het gebruik van een lopende band. De Raad heeft in hetgeen appellante in dit verband heeft aangevoerd geen grond gezien om aan te nemen dat het werk wezenlijk zwaarder was dan de bezwaarverzekeringsarts op grond van voormelde informatie, die destijds kennelijk van appellante afkomstig was, heeft aangenomen.
5.5. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 3 maart 2009 blijkt dat bij onderzoek van appellante destijds is vastgesteld dat bij appellante ondanks rug- en bekkenklachten bij lopen, zitten en staan geen bijzonderheden werden geconstateerd, dat zij alle bewegingen ongehinderd kon uitvoeren en dat er een discrepantie bestond tussen de subjectief door appellante beleefde klachten en de objectieve bevindingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich, gelet op zijn medische bevindingen bij aanvullend onderzoek van appellante op 3 april 2009, achter de conclusie van de verzekeringsarts geschaard.
Nu niet aannemelijk is dat appellante bij haar werk zwaar moest tillen en daarbij draaiende bewegingen moest maken, ziet de Raad in de door de gemachtigde van appellante ingebrachte rapporten van haar medisch adviseur geen reden voor twijfel aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in het rapport van 11 maart 2011, dat bij de arbeid bij Danone geen speciale handelingen voorkwamen die niet uitvoerbaar zouden zijn voor appellante met haar medisch status op de datum in geding.
5.6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.4 en 5.5 volgt dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand kunnen worden gelaten.
6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1196,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1196,--, te betalen door het Uwv;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 152,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2012.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) I.J. Penning.
TM