ECLI:NL:CRVB:2011:BV0266
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk na intrekking hoger beroep door UWV
Het UWV had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Utrecht, maar heeft dit hoger beroep later ingetrokken. Verzoeker vroeg daarop een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat hoewel het voldoende is dat er op enig moment hoger beroep is ingesteld, er voor het treffen van een voorlopige voorziening een daadwerkelijk aanhangig hoger beroep moet zijn.
Omdat het hoger beroep was ingetrokken, was niet langer voldaan aan deze voorwaarde en werd het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast wees de Raad proceskosten toe aan verzoeker, bestaande uit een vergoeding voor verleende rechtsbijstand en het betaalde griffierecht.
De zitting vond plaats zonder dat partijen verschenen. De beslissing werd op 28 december 2011 openbaar uitgesproken door voorzieningenrechter Ch. van Voorst, met griffier Z. Karekezi. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan verzoeker.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking van het hoger beroep door het UWV.