ECLI:NL:CRVB:2011:BV0266

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-6733 ZW-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 18 BeroepswetArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk na intrekking hoger beroep door UWV

Het UWV had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Utrecht, maar heeft dit hoger beroep later ingetrokken. Verzoeker vroeg daarop een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat hoewel het voldoende is dat er op enig moment hoger beroep is ingesteld, er voor het treffen van een voorlopige voorziening een daadwerkelijk aanhangig hoger beroep moet zijn.

Omdat het hoger beroep was ingetrokken, was niet langer voldaan aan deze voorwaarde en werd het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast wees de Raad proceskosten toe aan verzoeker, bestaande uit een vergoeding voor verleende rechtsbijstand en het betaalde griffierecht.

De zitting vond plaats zonder dat partijen verschenen. De beslissing werd op 28 december 2011 openbaar uitgesproken door voorzieningenrechter Ch. van Voorst, met griffier Z. Karekezi. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan verzoeker.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking van het hoger beroep door het UWV.

Uitspraak

11/6733 ZW-VV
Centrale Raad van Beroep
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet in het geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats] (verzoeker),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 28 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft bij brief van 20 oktober 2011 hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 september 2011, 11/1871.
Namens verzoeker heeft mr. E. Wits, advocaat, bij brief van 21 november 2011 de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzocht een voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Bij brief van 15 december 2011 heeft het Uwv het hoger beroep ingetrokken.
Bij brief van 20 december 2011 heeft mr. Wits verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 21 december 2011, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge het bepaalde in de artikelen 18 en 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van Pro de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek gedaan door een partij in de hoofdzaak een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Nu het Uwv het hoger beroep heeft ingetrokken is naar het oordeel van de Raad daarmee niet langer voldaan aan de voorwaarde dat met betrekking tot de uitspraak ten aanzien waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd hoger beroep is ingesteld. Hoewel voor de bevoegdheid van de Raad tot het treffen van een voorlopige voorziening voldoende is dat er op enig moment hoger beroep is ingesteld, dient deze voorwaarde naar het oordeel van de Raad zo te worden verstaan dat er een hoger beroep aanhangig moet zijn, wil er een voorlopige voorziening kunnen worden getroffen. Gelet op het vorenstaande ziet de Raad dan ook aanleiding om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk te verklaren.
De Raad ziet, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, aanleiding voor het toekennen van één punt voor het indienen van het verzoekschrift. Mitsdien worden de proceskosten begroot op € 437,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 437,--;
Bepaalt dat het Uwv aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 112,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 december 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) Z. Karekezi.
IvR