[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 maart 2011, 10/2137 (hierna: aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 23 december 2011
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.
1.1. In mei 2010 heeft appellante een aanvraag ingediend voor een nabestaanden- en halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) in verband met het overlijden van haar echtgenoot op 7 juni 2008.
1.2. Bij besluit van 31 mei 2010 is aan appellante met één jaar terugwerkende kracht vanaf de datum van de aanvraag met ingang van mei 2009 een nabestaandenuitkering toegekend. De aanvraag om een halfwezenuitkering is afgewezen, omdat de kinderen van appellante geen halfwees zijn geworden.
1.3. Bij het bestreden besluit van 27 oktober 2010 is het bezwaar tegen het besluit van 31 mei 2010 ongegrond verklaard. Ten aanzien van de ANW-uitkering is overwogen dat geen sprake is van een bijzonder geval om met een verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar een ANW-uitkering toe te kennen. Ten aanzien van de halfwezenuitkering is overwogen dat de juridische vader van appellantes kinderen nog in leven is.
2. In beroep heeft appellante de ingangsdatum van de ANW-uitkering bestreden. De rechtbank heeft het beroep tegen de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellante is aangeduid als eiseres en de Svb als verweerder, heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“ 2.2 Eiseres heeft betoogd dat in haar situatie sprake is van een bijzonder geval. Daartoe heeft ze aangevoerd dat zij na het overlijden van haar echtgenoot werd geconfronteerd met financiële problemen, de zorg voor twee jonge kinderen en lichamelijk klachten, waardoor zij niet meer kon functioneren. Zij was niet in staat zelf haar zaken te regelen en de derden die haar bijstand zouden verlenen, hebben haar laten vallen. Tevens was zij niet in staat om adequaat op het wegvallen van de bijstand te reageren.
2.3 De rechtbank constateert op basis van de dossierstukken dat eiseres in de periode kort volgend op het overlijden van haar echtgenoot een aanvraag voor nabestaandenpensioen heeft ingediend en een formulier inzake de Algemene kinderbijslagwet heeft ingevuld. Daarnaast heeft haar toenmalige boekhouder namens haar contact opgenomen met verweerder. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat eiseres niet in staat was om tijdig een aanvraag in te dienen voor een nabestaandenuitkering. Verweerder heeft terecht tot de conclusie kunnen komen, dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 33, vierde lid, Anw. Aan verweerder kwam derhalve niet de bevoegdheid toe om de nabestaandenuitkering toe te kennen met terugwerkende kracht van meer dan één jaar.”
3.1. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten gronde liggende overwegingen. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.
3.2. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van een bijzonder geval. Zij heeft daartoe een verklaring van haar huisarts ingezonden, waarin melding wordt gemaakt van de lichamelijke en geestelijke toestand van appellante sinds het overlijden van haar echtgenoot.
3.3. In de door appellante overgelegde medische verklaring ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellante in de periode na het overlijden van haar echtgenoot geheel buiten staat was haar belangen naar behoren (te laten) waarnemen. Dat blijkt onder meer, zoals door de rechtbank met recht is overwogen, uit het feit dat appellante in augustus 2008 een ABP-nabestaandenpensioen heeft aangevraagd, dat de boekhouder van appellante in die periode contact heeft gehad met de Svb en dat appellante een ondertekend formulier heeft ingezonden, beiden in het kader van de kinderbijslag. De verklaring van de huisarts heeft de Raad derhalve niet tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de ANW.
3.4. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
De Centrale Raad van Beroep;
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2011.