ECLI:NL:CRVB:2011:BU9255

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4134 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbBijlage VI Verordening (EEG) nr. 1408/71
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering nabestaandenuitkering op grond van ANW na overlijden ex-echtgenoot

Appellante, voormalig echtgenote van de overledene, verzocht om een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar ex-partner. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde deze uitkering omdat de overledene ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW en appellante ook geen aanspraak kon maken op een buitenlandse nabestaandenuitkering.

Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat een uitspraak van het Sozialgericht Frankfurt am Main uit 2008 een nieuw feit vormde, waarin werd vastgesteld dat de overledene in het verleden verzekerd was geweest en rechten had opgebouwd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat deze uitspraak geen nieuw feit was als bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro en appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat de Svb terecht het standpunt innam dat er geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die herziening van het oorspronkelijke besluit rechtvaardigen. De Raad benadrukte dat de oorspronkelijke afwijzing definitief is geworden en dat een herhaalde aanvraag slechts kan leiden tot heroverweging indien nieuwe feiten of omstandigheden zich voordoen.

De Raad wees ook op het feit dat de overledene weliswaar in het verleden verzekerd was geweest, maar dat dit niet leidde tot een aanspraak voor appellante als voormalig echtgenote op een Duitse nabestaandenuitkering. De uitspraak van het Sozialgericht toonde niet aan dat de overledene ten tijde van zijn overlijden verzekerd was, hetgeen essentieel is voor een recht op ANW-uitkering.

De Centrale Raad van Beroep wees het hoger beroep af en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de nabestaandenuitkering omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn gebleken.

Uitspraak

10/4134 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats], Duitsland (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2010, 09/226 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 23 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. Verspaandonk, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Verspaandonk. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante woont in Duitsland en is gehuwd geweest met [betrokkene] (hierna: [betrokkene]). [betrokkene] heeft tot en met 30 juni 1978 in Nederland en van 1 juli 1978 tot en met 31 mei 1985 in Duitsland gewoond en gewerkt en is laatstelijk woonachtig geweest in België. Het huwelijk tussen appellante en [betrokkene] is op 18 juni 1996 ontbonden door echtscheiding. Op 23 februari 2005 is [betrokkene] overleden, waarna appellante bij de Svb een aanvraag om een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW) heeft ingediend.
1.2. Bij besluit van 15 februari 2006 heeft de Svb geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen, aangezien haar ex-partner [betrokkene] ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW en voorts gebleken is dat appellante ook op grond van internationale regelingen geen recht heeft op voorgenoemde uitkering.
1.3. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 februari 2006. Zij is vervolgens in de gelegenheid gesteld haar bezwaren tijdens de hoorzitting op 19 juli 2006 nader toe te lichten. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat de betreffende voorzitter appellante heeft meegedeeld dat de Svb het besluit van 15 februari 2006 onder meer kan herzien als gebleken is dat zij recht heeft op een buitenlands nabestaandenpensioen. De voorzitter heeft toegezegd dat in dat geval een nieuwe aanvraag van appellante om een nabestaandenuitkering opnieuw in behandeling zal worden genomen. Vervolgens is overeengekomen de procedure te beëindigen, hetgeen is vastgelegd in de brief van de Svb van 3 augustus 2006.
1.4. Bij brief van 18 juli 2008 heeft appellante de Svb meegedeeld dat het Sozialgericht Frankfurt am Main bij uitspraak van 12 februari 2008 heeft geoordeeld dat zij geen recht heeft op een Duitse nabestaandenuitkering. Tevens is haar gebleken dat zij ook geen recht heeft op een Belgische nabestaandenuitkering. Desondanks heeft zij de Svb verzocht om terug te komen op het besluit van 15 februari 2006 en aan haar een nabestaandenuitkering toe te kennen, aangezien zij niet kan begrijpen dat het recht op een uitkering ingevolge de ANW afhankelijk kan zijn van toekenning van een buitenlandse nabestaanden-uitkering.
1.5. Bij besluit van 18 augustus 2008 heeft de Svb het verzoek van appellante om herziening van het besluit van 15 februari 2006 afgewezen.
1.6. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 augustus 2008 is bij besluit van 9 december 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard op de grond dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zij alsnog als nabestaande in de zin van de ANW kan worden aangemerkt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de uitspraak van het Sozialgericht Frankfurt am Main van 12 februari 2008, waarin is geoordeeld dat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitkering naar Duits recht –wat daar verder ook van zij- , geen nieuw feit is als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellante met de overige overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden nu niet gebleken is dat zij ten tijde van het besluit van 15 februari 2006 danwel in de bezwaarfase niet over de thans overgelegde stukken beschikte dan wel niet redelijkerwijs daarover kon beschikken.
3. Aangevoerd in hoger beroep is dat uit de uitspraak van het Sozialgericht Frankfurt am Main van 12 februari 2008 volgt dat [betrokkene] ten tijde van zijn overlijden wel als verzekerde werd aangemerkt, maar dat appellante alleen niet in aanmerking voor een Duitse nabestaandenuitkering kwam omdat [betrokkene] inmiddels na de echtscheiding was hertrouwd. Dit betekent dat [betrokkene] op grond van Bijlage VI bij Verordening (EEG) nr. 1408/71, bij zijn overlijden geacht moet worden verzekerd te zijn ingevolge de ANW omdat hij ingevolge de wetgeving van een andere lidstaat wegens hetzelfde risico verzekerd is.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Bij besluit van 15 februari 2006 heeft de Svb geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Appellante heeft bij brief van 18 juli 2008 een nieuwe aanvraag van dezelfde strekking ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft de Svb de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid.
4.2. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk een geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
4.3. Appellante heeft na de hoorzitting, gehouden op 19 juli 2006, onder meer onderzocht of zij in aanmerking kon komen voor een Duitse nabestaandenuitkering. Vervolgens heeft appellante, ter ondersteuning van haar verzoek om terug te komen van het besluit van
15 februari 2006, aangevoerd dat met name de uitspraak van het Sozialgericht Frankfurt am Main als nieuw gebleken feit en/of veranderde omstandigheid moet worden aangemerkt, nu [betrokkene] daarin als verzekerde is genoemd. De Raad concludeert uit voorgenoemde uitspraak echter dat [betrokkene] kennelijk in het verleden - naar de Raad aanneemt in de in overweging 1.1 vermelde periode van werken in Duitsland - ingevolge de Duitse wetgeving verzekerd is geweest en in die periode rechten heeft opgebouwd. Door deze opbouw staat vast dat voor appellante - als voormalig echtgenote - in verband met het overlijden van [betrokkene] geen aanspraak op een Duits nabestaandenpensioen is ontstaan. Voor de vraag of ingevolge de ANW voor appellante recht op een uitkering is ontstaan is voorts van belang of [betrokkene] ten tijde van zijn overlijden voor de Duitse wetgeving verzekerd was. Uit de uitspraak van het Sozialgericht is hiervan niet gebleken zodat de Svb zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2011.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) M.A. van Amerongen.
KR