ECLI:NL:CRVB:2011:BU7833

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5087 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:56 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak wegens ontbreken zitting uitnodiging en ongegrond verklaring bezwaarschrift wachtgeld en pensioen

Appellant maakte bezwaar tegen de vastgestelde einddatum van zijn wachtgelduitkering en de hoogte van zijn pensioenuitkering. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk vanwege termijnoverschrijding en ongegrond voor het overige. In hoger beroep stelde appellant dat hij geen uitnodiging had ontvangen voor de zitting bij de rechtbank, waardoor hij zijn standpunt niet kon toelichten.

De Raad stelde vast dat de rechtbank geen bewijs kon leveren van verzending van de uitnodiging, waardoor het oordeel was dat de uitspraak zonder inachtneming van het hoor- en wederhoorbeginsel tot stand was gekomen. Daarom werd de uitspraak vernietigd. De Raad behandelde de zaak zelf inhoudelijk en oordeelde dat appellant het bezwaar tegen de wachtgelduitkering niet tijdig had ingediend en dat de pensioenkwestie sinds 1996 privaatrechtelijk is, waardoor het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.

De Raad verklaarde het beroep ongegrond, veroordeelde het college in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het betaalde griffierecht werd vergoed. Hiermee werd de procedure rechtmatig en zorgvuldig afgerond.

Uitkomst: De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank wegens schending hoor en wederhoor en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

10/5087 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 juli 2010, 09/3015 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)
Datum uitspraak: 8 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2011. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. de Wit, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Bij besluit van 11 mei 1994, verzonden 17 mei 1994, heeft het college aan appellant wachtgeld toegekend van 1 december 1993 tot 1 mei 2007 en aansluitend een maandelijks verlengd wachtgeld tot de dag waarop hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, zijnde 20 oktober 2007. Bij brief, ingekomen bij loyalis op 28 augustus 2007, heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van zijn wachtgeld per 1 mei 2007. Eind 2008 heeft appellant de gronden van zijn bezwaar nader toegelicht, alsmede bezwaar gemaakt tegen de hoogte van zijn pensioenuitkering.
Bij besluit van 27 mei 2009 heeft het college het bezwaar van appellant, voor zover dat was gericht tegen de einddatum van het wachtgeld die was vastgesteld in het besluit van 11 mei 2004, niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift (veel) te laat is ingediend. Het bezwaar dat was gericht tegen de berekening van de pensioengrondslag heeft het college bij dat besluit eveneens niet-ontvankelijk te verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard, voor zover het betrekking heeft op de vaststelling van de pensioengrondslag en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
3.1. De Raad stelt ambtshalve vast dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte de bestuursdienst van de gemeente Amsterdam in plaats van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam als procespartij heeft aangemerkt. De Raad heeft dit gebrek hersteld.
3.2. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij geen uitnodiging heeft ontvangen voor de zitting bij de rechtbank en dat hij daarom niet op die zitting heeft kunnen verschijnen om zijn standpunt nader toe te lichten. De rechtbank heeft de Raad bericht geen verzendbewijs van de aan appellant gerichte uitnodiging voor de zitting van de rechtbank te kunnen verstrekken, omdat dat in het ongerede is geraakt. Nu niet kan worden vastgesteld dat de rechtbank de uitnodiging heeft verzonden, ziet de Raad geen aanleiding de stelling van appellant dat hij geen uitnodiging voor de zitting van de rechtbank heeft ontvangen in twijfel te trekken. Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat de rechtbank de aangevallen uitspraak heeft gedaan zonder dat was voldaan aan het bepaalde vermeld in artikel 8:56 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waardoor appellant niet de gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt ter zitting van de rechtbank toe te lichten. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en reeds hierom moet worden vernietigd. De Raad is van oordeel dat de zaak kan worden afgedaan zonder terugwijzing naar de rechtbank, omdat deze geen nader onderzoek vereist en appellant in hoger beroep de gelegenheid is geboden om zijn zaak ten volle te bepleiten.
4. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Raad als volgt.
4.1. De Raad stelt evenals de rechtbank vast dat appellant tegen het besluit van 11 mei 1994, verzonden 17 mei 1994, niet binnen zes weken bezwaar heeft gemaakt met betrekking tot de daarin vastgestelde einddatum van de wachtgelduitkering. Evenmin heeft appellant binnen zes weken na de beëindiging van het wachtgeld bezwaar gemaakt. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat appellant de termijnoverschrijding redelijkerwijs niet kan worden verweten.
4.2. De gronden van appellant zijn tevens gericht tegen zijn de vaststelling van de hoogte van zijn pensioen. De Raad overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 24 juli 2008, LJN BD9145 en TAR 2009, 39) een pensioenaangelegenheid als de hoogte van het pensioen van appellant, vanaf 1 januari 1996 ten gevolge van de privatisering van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds als een privaatrechtelijke aangelegenheid moet worden beschouwd. Het college heeft het bezwaar van appellant voor zover gericht tegen de pensioenkwestie naar het oordeel van de Raad op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard.
5. Uit het vorenstaande volgt dat het door appellant bij de rechtbank ingestelde beroep in zijn geheel ongegrond moet worden verklaard.
6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 27,64 aan reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 mei 2009 ongegrond;
Veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 27,64;
Bepaalt dat het college aan appellant het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 224,- aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2011.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) M.C. Nijholt.
HD