ECLI:NL:CRVB:2011:BU7228
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand en terugvordering wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellante ontving bijstand sinds 2002 en werd op grond van een anonieme tip onderzocht door de Dienst Werk en Inkomen (DWI) vanwege vermoedelijke samenwoning met haar ex-echtgenoot op haar adres. Tijdens een huisbezoek op 7 januari 2009 werden aanwijzingen gevonden die duidden op een gezamenlijke huishouding, waaronder administratie en post van haar ex-echtgenoot.
Op basis hiervan trok het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam de bijstand van appellante per 7 januari 2009 in en vorderde de kosten van bijstand over die periode terug. Appellante maakte bezwaar, maar het College handhaafde haar besluiten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante in hoger beroep ging.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. Volgens artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien de hoofdverblijven gelijk zijn en er een kind uit de relatie is geboren. Dit was hier het geval. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen en ook werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.