ECLI:NL:CRVB:2011:BU7192
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- N.J.E.G. Cremers
- Rechtspraak.nl
Weigering Wazo-uitkering bij draagmoederschap voor zelfstandige advocaat
Appellante, een zelfstandig advocaat, vroeg een zwangerschaps- en bevallingsuitkering aan op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo). Zij gaf aan dat sprake was van draagmoederschap waarbij haar schoonzus het genetisch kind droeg en na geboorte aan haar zou afstaan.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde de uitkering omdat de regeling alleen geldt voor eigen zwangerschap en bevalling. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een analoge toepassing af vanwege het dwingendrechtelijke karakter van de wet.
In hoger beroep erkende appellante dat zij niet onder artikel 3:18, eerste lid, Wazo valt, maar voerde aan dat het bevallingsverlof ook het hechtingsproces betreft en dat de regeling mogelijk strijdig is met internationaal recht. De Raad oordeelde dat dit niet opgaat en dat het Europese arrest dat zij aanhaalde niet op haar situatie van toepassing is.
Ook het argument dat er ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen werknemers en zelfstandigen faalde omdat appellante geen adoptieverlof had aangevraagd. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wazo-uitkering aan appellante wegens ontbreken van eigen zwangerschap en bevalling.