ECLI:NL:CRVB:2011:BU7142

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-174 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArtikel 12 Procesregeling bestuursrecht 2008
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet tijdige betaling griffierecht bij weigering financiering opleiding

Appellante stelde beroep in tegen een besluit van het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam waarin de weigering van financiering voor een HBO-opleiding sportmanagement werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet tijdig was voldaan.

Appellante voerde aan de brief waarin zij werd verzocht het griffierecht te betalen niet te hebben ontvangen, maar de Raad stelde vast dat zij uitdrukkelijk in een brief van 12 maart 2009 genoemd werd en dat het verzoek om slechts eenmaal griffierecht te betalen was afgewezen. De belangenvereniging die appellante vertegenwoordigde had nagelaten navraag te doen bij de rechtbank.

De Raad oordeelde dat appellante in verzuim was omdat het griffierecht pas na de termijn werd betaald en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De proceskosten werden niet aan appellante opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

10/174 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 november 2009, 09/165 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 29 november 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. Berkhouwer, advocaat te Schiedam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2011. Namens appellante is verschenen mr. Berkhouwer, bijgestaan door M.A.C. Taminiau. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Çevic, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen een besluit waarbij het College, na bezwaar, de weigering van financiering van de opleidingskosten ten behoeve van een Hbo-opleiding Sportmanagement, schooljaar 2008-2009, en de plaatsing in een overbruggingsfunctie, heeft gehandhaafd.
1.2. Bij brief van 21 januari 2009 heeft de griffier van de rechtbank appellante op de verschuldigdheid van griffierecht gewezen. In deze brief is aangegeven dat het griffierecht binnen vier weken na de dag van verzending moet zijn bijgeschreven of contant moet zijn betaald, bij gebreke waarvan het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
1.3. Bij aangetekend schrijven van 2 maart 2009 heeft de griffier appellante nogmaals verzocht om binnen vier weken het verschuldigde griffierecht te betalen.
1.4. Bij brief van 12 maart 2009 heeft de secretaris van de belangenvereniging ID Rotterdam namens de in die brief genoemde personen, waaronder appellante, verzocht om in procedures waarin twee of meer besluiten tegen dezelfde persoon zijn genomen, toe te staan dat slechts eenmaal griffierecht wordt betaald.
1.5. Bij brief van 20 maart 2009 heeft de rechtbank dat verzoek afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank meegedeeld dat de besluiten waartegen beroep is ingesteld niet als samenhangend zijn aan te merken als bedoeld in artikel 8:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat voor elk ingediend beroepschrift griffierecht is verschuldigd.
1.6. Op 29 juni 2009 is het griffierecht per kas door de rechtbank ontvangen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellante niet uiterlijk binnen vier weken na 2 maart 2009 het griffierecht heeft voldaan.
3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Op grond van artikel 8:41, tweede lid, tweede volzin, van de Awb wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard indien het verschuldigde griffierecht niet binnen de daarvoor gestelde termijn is betaald, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.2. Artikel 12 van Pro de Procesregeling bestuursrecht 2008 (Procesregeling) luidde voor zover hier van belang:
“1. Na ontvangst van het beroepschrift nodigt de griffier de indiener per gewone post uit het griffierecht binnen vier weken te voldoen.
2. Indien na de verzending van de uitnodiging per gewone post de termijn waarbinnen dient te worden betaald, is verstreken en het verschuldigde griffierecht niet is ontvangen, verzendt de griffier de mededeling, genoemd in artikel 8:41, tweede lid, van de Awb, aangetekend.
3. Indien na verzending van de mededeling, genoemd in het tweede lid, het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is bijgeschreven of gestort, geeft de rechtbank toepassing aan de tweede volzin van artikel 8:41, tweede lid, van de Awb.”
4.3. Aan appellante is in overeenstemming met de Procesregeling tweemaal een termijn gesteld voor de betaling van het griffierecht. De griffier heeft appellante met de brief van 2 maart 2009 erop gewezen dat het beroep niet in behandeling kan worden genomen voordat het verschuldigde griffierecht is voldaan.
4.4. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij de brief van 2 maart 2009 niet heeft ontvangen, waardoor het haar niet duidelijk was dat zij griffiegeld diende te betalen.
4.5. De Raad moet, daargelaten wat er zij van deze stelling en los van de eerdere brief van 21 januari 2009, vaststellen dat in de brief van 12 maart 2009 ook appellante uitdrukkelijk is genoemd als een van de personen voor wie het daarin vervatte verzoek werd gedaan. Bezien in deze context laat de brief van 20 maart 2009 zich naar het oordeel van de Raad niet anders lezen dan dat de rechtbank daarmee het verzoek ook heeft afgewezen voor zover het appellante betreft. Appellante, en namens haar de belangenvereniging ID, mochten er bij die stand van zaken niet zonder meer van uitgaan dat de afwijzing van het verzoek niet tevens voor appellante gold, te minder niet nu in de aanhef van de brief van 20 maart 2009 het procedurenummer van een van de aanhangige zaken van appellante is genoemd. Bij eventuele resterende twijfel had het op de weg van de belangenvereniging ID gelegen namens appellante hierover navraag te doen bij de rechtbank. Nu dit is nagelaten en de belangenvereniging ID na intern beraad de - onjuiste - conclusie heeft getrokken dat de mededelingen in de brief van 20 maart 2009 geen betrekking hadden op appellante, dienen de gevolgen hiervan voor haar rekening en risico te komen.
5. Nu het griffierecht na ommekomst van de daartoe gestelde termijn is ontvangen en niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan geoordeeld kan worden dat appellante niet in verzuim is geweest, moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd. Naar vaste rechtspraak van de Raad zijn de gevolgen van (processueel) handelen of nalaten van een gemachtigde voor rekening van diegene die de behartiging van zijn belangen aan die gemachtigde heeft toevertrouwd. De Raad heeft geen aanknopingspunten om daar in dit geval anders over te oordelen.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2011.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) N.M. van Gorkum.
HD