ECLI:NL:CRVB:2011:BU6444

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5222 WAJONG + 09-2795 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering WAJONG-uitkering met instandhouding rechtsgevolgen

Appellant verzocht om een WAJONG-uitkering, welke door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarna het UWV het bezwaar opnieuw ongegrond verklaarde. De Raad stelde vast dat het besluit van 13 augustus 2008 onvoldoende medische onderbouwing had en gaf opdracht tot herstel.

Het UWV legde een aangepast rapport en een gewijzigde Kritische Functionele Mogelijkheden Lijst (KFML) voor, waarin de beperkingen van appellant waren verwerkt. De bezwaararbeidsdeskundige concludeerde dat de geselecteerde functies geschikt waren, mits appellant bij aanvang werd begeleid door een leidinggevende of jobcoach.

De Raad oordeelde dat het UWV het gebrek had hersteld en dat de functies medisch en arbeidskundig geschikt waren. De stelling van appellant dat hij niet geschikt was voor regulier werk werd niet gevolgd. Het besluit van 13 augustus 2008 werd vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het besluit van 13 augustus 2008 wordt vernietigd, met instandhouding van de rechtsgevolgen.

Uitspraak

08/5222 WAJONG + 09/2795 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 juli 2008, 07/7848 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 november 2011
I. PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 17 juni 2011 een tussenuitspraak, LJN BQ8651, gedaan (hierna: tussenuitspraak).
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv bij brief van 19 september 2011 een nadere toelichting op zijn besluit van 13 augustus 2008 gegeven en ingezonden:
- een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 23 augustus 2011;
- een aangepaste Kritische Functionele Mogelijkheden Lijst (KFML) van 23 augustus 2011;
- een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 29 augustus 2011.
Namens appellant heeft mr. L.S.J. de Korte, advocaat te ’s-Gravenhage, bij brief van 27 september 2011 zijn zienswijze gegeven. Als reactie hierop heeft het Uwv bij brief van 19 oktober 2011 een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 13 oktober 2011 ingezonden.
De Raad heeft bepaald dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.2. Bij besluit van 13 september 2007 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, de aanvraag van appellant voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) afgewezen. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 13 september 2007 gegrond verklaard, het besluit van 13 september 2007 vernietigd en het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv vervolgens het bezwaar van appellant bij besluit van 13 augustus 2008 opnieuw ongegrond verklaard.
2. De Raad heeft in de tussenuitspraak, onder verwijzing naar het rapport van de door de Raad ingeschakelde deskundigen pyschiater prof. dr. H.J.C. van Marle en psychiater in opleiding drs. M. Vermeulen van 15 november 2010, geoordeeld dat het besluit van 13 augustus 2008 op een ontoereikende medische grondslag berust, omdat genoegzaam is vast komen te staan dat de beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 24 juli 2007 onjuist zijn vastgesteld. De Raad heeft het Uwv met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet opgedragen vorenbedoeld gebrek te herstellen.
3.1. Het Uwv heeft zich, onder verwijzing naar de onder rubriek 1 ingezonden stukken, op het standpunt gesteld dat het besluit van 13 augustus 2008 berust op een toereikende medische en arbeidskundige grondslag. In de KFML van 23 augustus 2011 zijn aanvullende beperkingen opgenomen en arbeidskundig onderzoek heeft uitgewezen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd gebaseerd blijft op minder dan 25%, aldus het Uwv.
3.2. Appellant heeft aangevoerd dat hij zich niet geschikt acht om regulier arbeid te verrichten. De in aanmerking genomen functies zijn in medisch opzicht ongeschikt voor appellant.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. De Raad is van oordeel dat het Uwv met het nadere rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 23 augustus 2011 en de aangepaste KFML van diezelfde datum het in de tussenuitspraak gesignaleerde gebrek heeft hersteld. De bevindingen van de deskundigen Van Marle en Vermeulen zijn vertaald naar de KFML. Appellant heeft in zijn zienswijze van 27 september 2011 geen gronden aangevoerd die specifiek zien op de wijze waarop de KFML is aangepast. De stelling van appellant, dat hij niet geschikt is om regulier arbeid te verrichten, vindt geen steun in het deskundigenrapport van 15 november 2010 en slaagt dan ook niet.
4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad voorts van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 29 augustus 2011 en 13 oktober 2011, in welke laatste rapport in het bijzonder is ingegaan op de aangevoerde arbeidskundige gronden, is ook de Raad van oordeel dat een als genoegzaam aan te merken onderbouwing is gegeven aan de geschiktheid van de geselecteerde functies. De bezwaararbeidsdeskundige heeft bij zijn nader onderzoek voldoende rekenschap gegeven van de in de KFML opgenomen aanvullende beperkingen. Er is genoegzaam toegelicht dat het te hanteren handelingstempo in de functies, de mate van samenwerking met collega’s en de hoogte van de werkdruk in de functies, binnen de voor appellant vastgestelde belastbaarheid blijven. Ook is voldoende toegelicht dat de functies geschikt zijn, nu sprake is van eenvoudige en voorspelbare werkzaamheden. De Raad heeft hierbij mede van belang geacht dat de bezwaararbeidsdeskundige als voorwaarde heeft gesteld dat appellant bij aanvang van de werkzaamheden dient te worden begeleid door de direct leidinggevende of een jobcoach, teneinde een vertrouwde en bekende werkomgeving te creëren waarin appellant kan functioneren. De Raad heeft geen gronden gevonden om te oordelen dat de noodzakelijk geachte begeleiding niet zou kunnen plaatsvinden.
4.3. Nu eerst met de ter uitvoering van de tussenuitspraak gegeven nadere toelichtingen als bedoeld in 4.1 en 4.2 meerbedoeld gebrek is hersteld en een voldoende grondslag is verkregen voor het besluit van 13 augustus 2008, ziet de Raad aanleiding het besluit van 13 augustus 2008 te vernietigen en te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 13 augustus 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uwv aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 107,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2011.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) M.A. van Amerongen.
GdJ