ECLI:NL:CRVB:2011:BU5177

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3552 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
  • K.J. Kraan
  • W. van den Brink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 79 ARArt. 114 ARArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontslag wegens ernstig plichtsverzuim door voortzetten nevenactiviteiten ondanks verbod

Appellant was werkzaam bij de gemeente Rotterdam en vanaf april 2006 volledig arbeidsongeschikt. In 2008 vroeg hij toestemming voor nevenactiviteiten, namelijk het oprichten van een escortbedrijf. Dit verzoek werd afgewezen vanwege mogelijke imagoschade en risico's zoals mensenhandel. Ondanks waarschuwingen zette appellant zijn activiteiten voort.

Het college stelde een onderzoek in waaruit bleek dat het escortbedrijf actief bleef. Op grond hiervan werd appellant ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij zijn activiteiten had gestaakt en dat de gemeente nalatig was in re-integratieverplichtingen.

De Raad oordeelde dat appellant wel degelijk bedrijfsmatige activiteiten verrichtte en dat het ontslag niet onevenredig was, mede gezien de uitdrukkelijke weigering en meerdere waarschuwingen. De Raad bevestigde daarom het ontslag en wees een vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd.

Uitspraak

10/3552 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van10 juni 2010, 09/2579 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: college)
Datum uitspraak: 17 november 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A. Rhijnsburger, advocaat te Rotterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R Konijnendijk,
S. Slappendel en M.M. van Doorn, allen werkzaam bij de gemeente Rotterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant was werkzaam als [functie] bij de dienst Stadstoezicht van de gemeente Rotterdam. Vanaf
21 april 2006 was appellant volledig arbeidsongeschikt. In januari 2008 heeft het UWV de verplichting van de gemeente Rotterdam tot loondoorbetaling tijdens arbeidsongeschiktheid verlengd tot 18 april 2009.
1.2. Op 19 juni 2008 heeft appellant zijn werkgever gemeld dat hij een vergunning heeft gekregen voor het exploiteren van een escortbedrijf en dat hij bezig is met het opzetten van een escortservice. Aan appellant is daarop meegedeeld dat dergelijke nevenwerkzaamheden mogelijk niet stroken met de functie van [functie] en dat hij toestemming moet vragen voor het uitoefenen van die nevenwerkzaamheden. Op 14 juli 2008 heeft appellant toestemming gevraagd om nevenwerkzaamheden te verrichten, bestaande uit oprichtingsactiviteiten ten behoeve van een escortbedrijf. Het college heeft dat verzoek bij besluit van 4 augustus 2008 op grond van artikel 114 van Pro het Ambtenarenreglement Rotterdam (hierna: AR) afgewezen en appellant erop gewezen dat voor het niet opvolgen van die afwijzing een sanctie kan worden opgelegd, in het uiterste geval ontbinding van de aanstelling. Aan die afwijzing lag ten grondslag dat dergelijke activiteiten, ondanks dat daarvoor een vergunning is verleend, zich vaak in een schemergebied afspelen en in relatie worden gebracht met mensenhandel en het niet afdragen van werknemerspremies aan de gemeente, waardoor de kans op imagoschade voor de gemeente Rotterdam aanwezig is. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij brief van 2 september 2008 is appellant gesommeerd alle handelingen die betrekking hebben op zijn nevenactiviteit onmiddellijk te staken onder aankondiging dat, indien hij daar geen gevolg aan geeft, zal worden verzocht zijn aanstelling te beëindigen. Bij brief van
1 oktober 2008 is de afwijzing van het uitoefenen van nevenwerkzaamheden gehandhaafd en is appellant meegedeeld dat het toch verrichten van die activiteiten kan leiden tot direct ontslag.
1.3. In opdracht van het college is door Bedrijfsrecherchebureau Hoffmann een onderzoek uitgevoerd naar vermoedelijke nevenactiviteiten van appellant. Op 14 oktober en 20 oktober 2008 is door medewerkers van dat bureau anoniem gebeld met het telefoonnummer waarop het escortbedrijf van appellant te bereiken was. De conclusie van dat onderzoek luidde dat het escortbedrijf nog steeds actief was. Appellant is gehoord naar aanleiding van de resultaten van dat onderzoek.
1.4. Na een voornemen daartoe is appellant bij besluit van 12 februari 2009 wegens ernstig plichtsverzuim met onmiddellijke ingang ontslag verleend op grond van artikel 79, eerste lid, aanhef en onder j, van het AR. Het bezwaar tegen dat besluit is ongegrond verklaard bij besluit van 6 juli 2009 (hierna: bestreden besluit).
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij na het verbod van nevenwerkzaamheden zijn bedrijfsactiviteiten daadwerkelijk heeft neergelegd; de telefoongesprekken die door Bedrijfsrecherchebureau Hoffmann zijn gevoerd duiden er volgens appellant juist op dat hij bedrijfsmatige activiteiten wilde afhouden. De rechtbank heeft volgens appellant ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de gemeente nalatig is geweest met de verplichting tot het verrichten van re-integratieactiviteiten en dat gezien de zeer beperkte arbeidsmogelijkheden van appellant op de arbeidsmarkt, hij activiteiten heeft ontplooid die na het beëindigen van de aanstelling in het voorjaar van 2009 mogelijk tot inkomsten zouden kunnen leiden. Appellant heeft nog verwezen naar de uitspraak van de Raad van 29 juli 2010, LJN BN3514 en TAR 2010, 158, waarin door het college in een zijns inziens vergelijkbaar geval slechts een loonsanctie van 1% is opgelegd.
4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
4.1. De Raad acht voldoende aannemelijk dat appellant, nadat hem toestemming was geweigerd om als nevenactiviteit een escortbedrijf te voeren, bedrijfsmatige activiteiten heeft verricht in het kader van zijn escortbedrijf. Uit de verslagen van de telefoongesprekken blijkt dat appellant in duidelijke taal heeft aangegeven welke escortdiensten hij kon leveren en tegen welke prijs. Dat slechts sprake zou zijn geweest van het afhouden van activiteiten, omdat er geen daadwerkelijke escortservice is verleend, kan de Raad dan ook niet volgen. Deze activiteiten zijn door het college terecht aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. Het college was derhalve bevoegd om appellant disciplinair te straffen.
4.2. De Raad acht de opgelegde straf van ontslag niet onevenredig. In de door appellant genoemde uitspraak was eveneens sprake van het verrichten van ongeoorloofde nevenwerkzaamheden, maar anders dan in die zaak, is de toestemming daarvoor in het onderhavige geval uitdrukkelijk geweigerd en is appellant tot drie maal toe schriftelijk gewaarschuwd voor de gevolgen waartoe overtreding van het verbod zou kunnen leiden. Dat appellant nauwelijks inkomsten heeft gegenereerd en dat ontslag op grond van zijn arbeidsongeschiktheid in de nabije toekomst zou volgen, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.
4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak in stand blijft.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en K.J. Kraan en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2011.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) S. Werensteijn.
HD