ECLI:NL:CRVB:2011:BU1915

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3315 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van het besluit tot beëindiging van ziekengeld wegens arbeidsgeschiktheid ondanks agorafobie

Appellante was als uitzendkracht werkzaam als tomatenplukster en werd op 14 november 2007 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt verklaard. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek werd zij op 10 september 2008 hersteld verklaard en verloor zij het recht op ziekengeld. Later meldde zij zich opnieuw ziek wegens psychische klachten.

Het UWV besloot op 8 april 2009 het ziekengeld te beëindigen omdat appellante niet langer ongeschikt werd geacht voor haar arbeid. Dit besluit werd bij bezwaar op 20 juli 2009 gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en hechtte waarde aan de rapporten van de verzekeringsartsen.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd. Ondanks de agorafobie van appellante concludeerden de artsen dat zij in staat was per busje naar het werk te reizen. Appellante bracht geen medische gegevens aan die dit oordeel ondermijnden. De Raad bevestigt daarom het besluit en wijst een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

10/3315 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ?s-Gravenhage van 28 april 2010, 09/6138 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 oktober 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. Y. Ozdemir, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2011. Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. P.R.L.V.M. Kruik, advocaat te Den Haag. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante is laatstelijk als uitzendkracht werkzaam geweest als tomatenplukster. Zij is op 14 november 2007 wegens psychische klachten ongeschikt geworden voor haar arbeid. Met ingang van 10 september 2008 is appellante na verzekeringsgeneeskundig onderzoek hersteld verklaard voor haar werk. Bij besluit van 3 september 2008 is dienovereenkomstig aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 10 september 2008 geen recht meer had op ziekengeld.
2. Appellante heeft zich op 28 oktober 2008, toen zij een werkloosheidsuitkering ontving, opnieuw ziek gemeld wegens psychische klachten.
3.1. Bij besluit van 8 april 2009 is aan appellante meegedeeld dat haar met ingang van 14 april 2009 geen ziekengeld meer werd uitgekeerd, omdat zij op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid.
3.2. Bij besluit van 20 juli 2009 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 april 2009 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij beslissende betekenis toegekend aan de door de (bezwaar)verzekeringsarts uitgebrachte rapporten. De rechtbank zag geen aanknopingspunten het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten of aan de juistheid van hun oordeel te twijfelen.
5.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts een zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellante ten tijde in geding en, mede gelet op de beschikbare gegevens van de behandelend sector, op verantwoorde wijze hebben geconcludeerd dat appellante op die datum niet buiten staat was haar werk te verrichten. Dat appellante klachten had van agorafobie en daardoor niet alleen de deur uit durfde te gaan, neemt niet weg dat zij volgens de bezwaarverzekeringsarts in staat was per busje naar het werk te reizen. Appellante heeft geen medische gegevens ingebracht die reden vormen om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken.
5.2. Naar in het vorenstaande besloten ligt acht de Raad de aangevallen uitspraak voldoende gemotiveerd en ziet de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden om die uitspraak niet in stand te laten.
De aangevallen uitspraak moet mitsdien worden bevestigd.
6. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) H.L. Schoor.