ECLI:NL:CRVB:2011:BT8393

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6025 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en bijstandAlgemene Ouderdomswet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging bijstandsuitkering wegens niet-naleving inlichtingenplicht AOW

Appellant ontvangt bijstand en een AOW-uitkering, waarbij de AOW-uitkering automatisch op de bijstand werd gekort tot 1 januari 2007. Het College heeft de bijstand herzien en teruggevorderd wegens het niet melden van het BPF Bouw-pensioen en het wegvallen van de automatische AOW-korting. Vervolgens is de bijstand verlaagd met 100% voor één maand wegens het niet verstrekken van informatie over de AOW-ontvangst.

Appellant voerde aan dat hij driemaal mondeling aan een medewerker van het College had gemeld dat zijn AOW-uitkering niet werd gekort, maar leverde hiervoor geen bewijs. De rechtbank oordeelde dat het onwaarschijnlijk is dat meldingen zoekraakten en verklaarde het beroep ongegrond.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel, verwijzend naar de motivering van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er worden geen proceskosten aan appellant opgelegd.

Uitkomst: De verlaging van de bijstandsuitkering met 50% voor één maand wordt bevestigd wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht over de AOW-ontvangst.

Uitspraak

09/6025 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 28 september 2009, 09/570 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)
Datum uitspraak: 5 oktober 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 24 augustus 2011, waar partijen, zoals vooraf bericht, niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Sinds februari 2005 ontvangt hij een niet-volledige uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en voorts een pensioen van het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (hierna: het BPF Bouw-pensioen). Het College heeft de AOW-uitkering automatisch in mindering gebracht op de bijstand. Met ingang van 1 januari 2007 is deze automatische korting onbedoeld beëindigd.
1.2. Bij besluit van 1 december 2008 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 1 februari 2005 tot en met 31 augustus 2008 herzien en de kosten van de ten onrechte te veel betaalde bijstand van appellant teruggevorderd. Dit besluit berust op de grondslag dat appellant heeft nagelaten te melden dat hij het BPF Bouw-pensioen ontving en dat de AOW-uitkering vanaf 1 januari 2007 niet meer werd gekort op de bijstand, en dat hij aldus teveel bijstand heeft ontvangen. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3. Bij besluit van 23 december 2008 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2009 verlaagd met 100 procent voor de duur van één maand op de grond dat appellant in de periode van 1 januari 2007 tot en met juni 2008 geen informatie heeft verstrekt over de ontvangst van de AOW-uitkering.
1.4. Bij besluit van 12 mei 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 23 december 2009 gedeeltelijk gegrond verklaard. Daartoe heeft het College overwogen dat zijn eigen rol bij het stoppen van de automatische korting moet worden meegewogen. Daarom heeft het College een verlaging toegepast over de maand januari 2009 tot de helft van de aanvullende bijstand, te weten € 239,11 en appellant een vergoeding van kosten van de bezwaarprocedure toegekend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 mei 2009 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat appellant in strijd met zijn inlichtingenverplichting op de maandelijkse inkomstenformulieren vanaf januari 2007 tot mei 2008 geen melding heeft gemaakt van de ontvangst van een AOW-uitkering. Appellant heeft volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij, zoals hij stelt, driemaal aan een medewerker van de gemeente Groningen heeft doorgegeven dat hij een AOW-uitkering ontving. Daartoe is overwogen dat appellant deze stelling niet heeft onderbouwd. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de werkwijze van het College, waarbij van alle mededelingen van bijstandsgerechtigden formulieren worden opgemaakt en in de backoffice worden verwerkt. Het is zeer onwaarschijnlijk dat tot driemaal toe een formulier zou zoekraken.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat hij meermalen aan een bepaalde medewerker van het College heeft meegedeeld, dat zijn AOW-uitkering niet in mindering werd gebracht op de bijstand.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Tussen partijen is slechts in geding of appellant zijn inlichtingenverplichting ten aanzien van de ontvangst van een AOW-uitkering is nagekomen, niet door vermelding op inkomstenformulieren, maar door drie mededelingen aan een medewerker van de gemeente Groningen.
4.2. De Raad stelt vast dat appellant in hoger beroep geen nadere of nieuwe onderbouwing van zijn stelling, noch nader bewijs daarvan, heeft aangedragen. Daarom kan de Raad volstaan met te verwijzen naar de motivering die de rechtbank gegeven heeft op dit punt en waarmee de Raad zich verenigt. Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte in tegenwoordigheid van E. van Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2011.
(get.) O.L.H.W.I. Korte.
(get.) E. van Heemsbergen.
KR