ECLI:NL:CRVB:2011:BT7497
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens detentie
Appellant ontving sinds 1997 bijstand en werd per 10 juli 2008 gedetineerd. Het College van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage trok de bijstandsuitkering met ingang van die datum in en vorderde de bijstand over juli 2008 terug. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij ten onrechte in voorlopige hechtenis zat en vaste lasten had, waardoor de volledige stopzetting onredelijk was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad stelde vast dat de beoordeling zich beperkt tot de periode van intrekking tot het primaire besluit, 10 juli tot 14 augustus 2008. De Raad oordeelde dat op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB geen recht op bijstand bestaat tijdens voorlopige hechtenis, ook niet als deze achteraf onterecht zou zijn.
Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, en artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. De Raad wees het betoog van appellant af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd opgemerkt dat appellant buitenwettelijke bijzondere bijstand als geldlening ontving voor woonlasten, hetgeen niet tot een ander oordeel leidde.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens detentie.