ECLI:NL:CRVB:2011:BT6974

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5433 WAZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAZ-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de intrekking van zijn WAZ-uitkering door het UWV, welke intrekking op 6 februari 2008 is vastgesteld en onherroepelijk is geworden na het niet aanwenden van rechtsmiddelen tegen het bezwaarbesluit. Appellant stelde dat hij zieker is geworden en volledig arbeidsongeschikt is, maar het UWV concludeerde na medisch onderzoek dat er geen nieuwe medische feiten zijn die een herziening rechtvaardigen.

De verzekeringsartsen Langerak en Hovy bevestigden dat de beperkingen die ten grondslag lagen aan de intrekking onverkort van toepassing zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel volledig, waarbij het verzoek van appellant om terug te komen op het eerdere besluit werd beoordeeld volgens artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten zoals paniekaanvallen en depressie onvoldoende zijn om het eerdere besluit te herzien. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De intrekking van de WAZ-uitkering wordt bevestigd wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

10/5433 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 augustus 2010, 09/2314 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 7 oktober 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 24 december 2010 heeft mr. De Jong meegedeeld dat hij niet meer namens appellant optreedt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 6 februari 2008 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) met ingang van 30 maart 2008 ingetrokken. Het hiertegen gerichte bezwaar is bij besluit op bezwaar van 2 juni 2008 niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft hiertegen geen rechtsmiddel aangewend, zodat het besluit van 6 februari 2008 in rechte onaantastbaar is geworden.
1.2. Bij brief van 24 december 2008 heeft appellant aangegeven dat hij zieker is geworden en dat hij volledig arbeidsongeschikt is.
1.3. Het Uwv heeft deze brief opgevat als een verzoek om terug te komen van het eerdere besluit van 6 februari 2008 omdat per 1 augustus 2004 de toegang tot de verzekering voor de WAZ is beëindigd. Appellant is onderzocht door de verzekeringsarts W. Langerak. Deze heeft geconcludeerd dat er geen medische feiten zijn waaruit blijkt dat de medische situatie ten opzichte van de situatie op de datum van intrekking van de WAZ, is toegenomen. De vastgestelde beperkingen zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 28 augustus 2006 die mede ten grondslag hebben gelegen aan de intrekking van de WAZ-uitkering, zijn nog onverkort van toepassing. Bij besluit van 18 maart 2009 heeft het Uwv beslist om niet terug te komen van het besluit van 6 februari 2008 omdat niet gebleken is van nieuwe feiten of omstandig-heden zijn die er toe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn.
1.4. Naar aanleiding van de bezwaren heeft bezwaarverzekeringsarts W.C. Hovy in zijn rapportage van 30 juni 2009 uiteengezet dat hij geen aanleiding ziet af te wijken van het oordeel van verzekeringsarts Langerak. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 9 juli 2009 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 maart 2009 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep is aangevoerd dat appellant als gevolg van paniekaanvallen, angsten, hyperventilatie, depressie niet kan werken.
4. Naar aanleiding van het hoger beroep van appellant overweegt de Raad het volgende.
4.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bij het Uwv op 22 juli 2008 binnengekomen verzoek terecht is aangemerkt als een verzoek om terug te komen van meer genoemde beslissing van 6 februari 2008, dat moet worden beoordeeld in het kader van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad onderschrijft het door de rechtbank in rechtsoverweging 2.5 van de aangevallen uitspraak geformuleerde toetsingskader.
4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen volledig en verwijst daarnaar. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.
5. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2011.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) N.S.A. El Hana.