ECLI:NL:CRVB:2011:BT6973
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellante ging in hoger beroep tegen de intrekking van haar WAO-uitkering door het UWV, omdat zij meende dat er ten onrechte geen medische urenbeperking meer werd aangenomen. Zij voerde aan dat haar gewrichtsklachten en andere medische problemen een beperking rechtvaardigden en dat verzekeringsartsen onvoldoende medische informatie hadden ingewonnen.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, stellende dat appellante geen objectief-medische gegevens had overgelegd die haar stellingen ondersteunden. De functionele mogelijkhedenlijst (FML) hield rekening met haar klachten en de arbeidsdeskundige had de geschiktheid van de functies adequaat gemotiveerd.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en voegde toe dat de verzekeringsartsen bekend waren met de volledige medische voorgeschiedenis, waaronder rapporten van reumatoloog en verzekeringsartsen. Nieuwe medische informatie betrof een periode na de datum van het bestreden besluit en kon daarom niet leiden tot herziening.
De Raad concludeerde dat de beperkingen van appellante niet waren onderschat en dat de functies waarop de belastbaarheid was gebaseerd passend waren. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag.