ECLI:NL:CRVB:2011:BT5889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding met zus
Appellant ontving bijstand als alleenstaande sinds 1 oktober 2008. Na onderzoek door de afdeling Handhaving van de gemeente Amsterdam werd vastgesteld dat appellant en zijn zus hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en een gezamenlijke huishouding voerden. Het College trok de bijstandsuitkering met ingang van 1 november 2008 in, omdat appellant geen melding had gemaakt van deze situatie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Appellant stelde in hoger beroep dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar de wederzijdse zorg tussen hem en zijn zus. De Raad oordeelde echter dat op grond van objectieve criteria en de verklaring van appellant sprake was van wederzijdse zorg en geen zakelijke huur- of kostgangersrelatie.
De Raad concludeerde dat het College terecht heeft geoordeeld dat appellant en zijn zus een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van artikel 3, derde lid, van de WWB. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding met de zus wordt bevestigd.