ECLI:NL:CRVB:2011:BR5889

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2137 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 WWB
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor tweede bril wegens ontbreken bijzondere reden

Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de aanschaf van twee brillen, waarvan de eerste deels werd vergoed door de ziektekostenverzekeraar en de tweede niet. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam kende bijstand toe voor de eerste bril, maar wees de aanvraag voor de tweede bril af omdat volgens het beleid geen bijzondere reden bestond voor vergoeding.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat de tweede bril niet noodzakelijk was en dat het refractieverslag van het OLVG onjuist was. Appellant stelde in hoger beroep dat de refractieverslagen ten grondslag lagen aan de aanschaf van beide brillen.

De Raad oordeelde dat de brillenglazen van de tweede bril niet overeenkwamen met de door het OLVG voorgeschreven sterkte en dat appellant zijn eerste bril al had aangeschaft vóór de datum van de refractieverslagen, waardoor diens stelling niet geloofwaardig was. De Raad bevestigde dat het College conform het buitenwettelijke beleid handelde en wees het hoger beroep af.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 16 augustus 2011 door de Centrale Raad van Beroep gedaan.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor de tweede bril bevestigd.

Uitspraak

10/2137 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 maart 2010, 09/4989 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 16 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.O. Wattilete, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2011. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Op 28 april 2009 heeft appellant voor de aanschaf van twee brillen een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). De kosten van de op 12 februari 2009 aangeschafte bril ten bedrage van € 300,-- zijn voor een bedrag van € 150,-- door de ziektekostenverzekeraar van appellant vergoed. De tweede op 29 april 2009 aangeschafte bril ten bedrage van € 395,-- is niet door de ziektekostenverzekeraar vergoed.
1.2. Bij besluiten van 19 mei 2009 heeft het College bijzondere bijstand toegekend in de kosten van de eerst aangeschafte bril tot een bedrag van € 150,-- en de aanvraag voor de tweede bril afgewezen. Appellant heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt.
1.3. Bij besluit van 8 oktober 2009 heeft het College het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat het recht op bijstand zich niet kan uitstrekken tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. Op grond van door het College gehanteerde beleid kan bijzondere bijstand worden verleend als om een bijzondere reden vaker een nieuwe bril nodig is dan de (aanvullende) zorgverzekering vergoedt. Volgens het College is in het geval van appellant niet gebleken van een dergelijke reden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 8 oktober 2009 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank zich verenigd met het standpunt van het College dat in het geval van appellant geen sprake is van een bijzondere reden op grond waarvan - gelet op het gehanteerde beleid - de kosten van de tweede bril voor vergoeding in aanmerking komen. Het standpunt dat de aanschaf van de tweede bril noodzakelijk was, is met inachtneming van de door het College verkregen informatie van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (OLVG) door de rechtbank niet gevolgd. Het OLVG zou hebben meegedeeld dat het refractieverslag van 27 april 2009 met daarin de oogmeting onjuist is, en dat appellant slechts één bril nodig heeft. Ook acht de rechtbank niet aannemelijk dat dit (achteraf onjuiste) refractieverslag appellant aanleiding heeft gegeven om twee brillen aan te schaffen.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt allereerst vast dat vergoeding van de kosten van de tweede bril in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk is aangemerkt, zodat artikel 15, eerste lid, van de WWB in beginsel in de weg staat aan bijstandsverlening.
4.2. Het door het College gehanteerde beleid moet worden gekwalificeerd als buitenwettelijk beleid, dat door de bestuursrechter terughoudend wordt getoetst. De Raad volgt het standpunt van het College dat in dit geval geen sprake is van een bijzondere reden als bedoeld in het beleid. Nog daargelaten of de refractieverslagen juist zijn, merkt de Raad op dat in deze refractieverslagen brilvoorschriften zijn gegeven voor brillen met verschillende van elkaar afwijkende sterkte. De brillenglazen die door appellant zijn aangeschaft zijn, blijkens de overgelegde nota’s, evenwel van gelijke sterkte en wijken dus af van de door de polikliniek Oogheelkunde van de OLVG gegeven brilvoorschriften. De stelling van appellant dat de refractieverslagen aan de aanschaf van beide brillen ten grondslag hebben gelegen, acht de Raad niet geloofwaardig, omdat appellant zijn eerste bril blijkens de stukken reeds op 12 februari 2009 heeft aangeschaft, terwijl de refractieverslagen van latere datum zijn (27 april 2009). Het College heeft derhalve, anders dan appellant meent, wel degelijk gehandeld in overeenstemming met zijn ter zake gevoerde beleid.
5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2011.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) M.C. Nijholt.
HD